Pyreneese herdershond langhaar

FCI standaard Nº 141

Land van oorsprong
Frankrijk
Groep
Groep 1 Herdershonden en veedrijvers (uitgezonderd Zwitserse berg en sennenhonden)
Sectie
Sectie 1 Herdershonden
Werkproef
Met werkproef
Definitieve erkenning door de FCI
vrijdag 28 januari 1955
Publicatie van de geldende officiële norm
donderdag 26 maart 2009
Laatste update
maandag 25 mei 2009
En français, cette race se dit
Chien de berger des Pyrénées à poil long
In English, this breed is said
Pyrenean sheepdog long haired
Auf Deutsch, heißt diese Rasse
Langhaariger Pyrenäen schäferhund
En español, esta raza se dice
Pastor de los Pirineos de pelo largo

Gebruik

Herdershond, in gebruik op boerderijen en op de Pyreneese weiden.

Kort historisch overzicht

Het ras is van nederige komaf en was tot het begin van de twintigste eeuw nauwelijks bekend in de officiële kynologie. De verschijningsvormen die in de diverse dalen voorkomen, lopen behoorlijk uiteen: de grootte, de vacht, die zijn soms erg verschillend, maar in karakter en gedrag bestaat geen verschil. Tussen 1921 en 1925 werd door Dhr. Bernard Sénac-Lagrange de eerste officiële standaard samengesteld. Deze standaard werd veranderd, eerst onder zijn voorzitterschap, daarna onder de voorzitterschappen van Dhr. Charles Duconte (1954-1986), van Dhr. Guy Jean Mansencal (1986-2000) en van Dhr. Alain Pécoult (2000-...) in nauwe samenwerking met Dhr. Raymond Triquet sinds 2001.

Algemeen totaalbeeld

Een hond, die bij een minimum aan hoogte en gewicht blijk geeft van een maximale spanning. Door zijn uiterlijk van voortdurende waakzaamheid, zijn slimheid en wantrouwen, in combinatie met zijn levendige manier van bewegen, is de hond zo karakteristiek, dat hij niet met andere honden te vergelijken is.

Belangrijke verhoudingen

• De schedel is ongeveer even lang als breed.
• De snuit is korter dan de schedel, de verhouding is voorsnuit 2, schedel 3.
• De lichaamslengte is groter dan de schofthoogte.
• De afstand van de elleboog tot de bodem bedraagt meer dan de helft van de schofthoogte.

Gedrag en karakter (aard)

Het is een kleine moedige hond, zelfredzaam, in staat zelf initiatieven te nemen en volledig toegewijd aan zijn baas. Hij is eigenzinnig van aard en over het algemeen is een energieke aanpak nodig om zijn energie in goede banen te leiden en het beste uit zijn intelligentie en levendigheid te halen. Tegenover vreemden is hij vaak wantrouwend.

Hoofd

Bovenschedel

Hoofd
In zijn algemene vorm is het hoofd driehoekig.
Schedel
De matig ontwikkelde schedel, vrijwel vlak met een lichte groef in het midden, gaat harmonieus afgerond in de zijkanten over en heeft een weinig geprononceerde achterhoofdsknobbel. Hij is vrijwel even lang als breed. Het voorste deel gaat zacht glooiend over in de snuit. 
Stop
De stop is nauwelijks zichtbaar (glijdend).

Facial region

Neus
Zij is zwart.
Voorsnuit
De snuit is recht, wat korter dan de schedel, wigvormig, maar het uiteinde mag niet spits zijn.
Lippen
Deze zijn niet erg dik; ze bedekken de onderkaak volkomen zonder dat de mond zichtbaar is. De randen van de lippen en het gehemelte zijn zwart of overwegend zwart getekend.
Kiezen / tanden
Het gebit moet compleet zijn. De hoektanden zijn sterk ontwikkeld. Boven- en ondergebit zijn scharend (de snijtanden boven bedekken de snijtanden onder doch blijven ermee in contact). Een tanggebit (waarbij de snijtanden boven op de snijtanden onder staan) is toegestaan.
Ogen
De ogen zijn expressief, enigszins amandelvormig en hebben een donkerbruine kleur. Ze mogen noch uitpuilen noch te diep liggen. Glasogen zijn toegestaan bij honden met een blauwe vacht met zwart gemengd (harlekijn of leigrijs), waarvan ze bijna altijd een kenmerk zijn. De oogleden zijn zwart omrand, ongeacht de kleur van de vacht.
Oren
De oren moeten tamelijk kort zijn, matig breed bij de aanzet, ze mogen noch te dicht bij elkaar geplaatst zijn, bovenop de schedel noch te wijd uiteen staan. Ze zijn driehoekig, dun en eindigen in een punt, vallend, vlak, zeer beweeglijk. Als de hond attent is, gezien van de voorkant, trekt de bovenste zijde van de oren enigszins de transversale lijn van de schedel door. Ze kunnen ook gedeeltelijk staan: in dat geval, moet hun onderste deel staan en beweeglijk zijn, ideaal zijn oren waarvan het bovenste deel voor een derde of de helft naar voren of opzij valt, op voor beide oren symmetrische wijze.

Hals

De hals is eerder lang, tamelijk gespierd, goed vrij van de schouders.

Lichaam

Algemeenheid
Het skelet is stevig, maar niet zwaar, de bespiering is droog.
Bovenprofiel
Heeft een goede gespannen bovenbelijning.
Schoft
Komt duidelijk uit.
Rug
De rug is tamelijk lang en stevig.
Lendenpartij
De lendenen zijn kort en licht gewelfd, dit lijkt des te meer zo, omdat de vacht van de hond op de achterhand en op het kruis vaak rijkelijker is.
Croupe
Het kruis is eerder kort en ligt tamelijk schuin.
Borst
De borst is matig ontwikkeld, ze reikt tot de elleboog.
Ribben
De ribben zijn licht gewelfd.
Flank
De flank reikt niet ver omlaag.

Staart

De staart is niet erg lang, eerder laag aangezet en vormt een haak aan het uiteinde, de staart is goed bevederd. Als de hond attent is, mag de staart in het algemeen nauwelijks boven de ruglijn uitkomen, echter kan deze in een krul naar voren komen. In landen waar couperen door de wet niet verboden is, zijn sommige exemplaren gecoupeerd. Rudimentaire staart toegestaan.

Ledematen

Voorhand

Algemeen
Deze zijn recht, droog, krachtig, en goed bevederd.
Schouders
De schouder is tamelijk lang, en ligt middelmatig schuin.
Opperarm
Deze ligt schuin en heeft een gemiddelde lengte.
Onderarm
De onderarm is recht.
Voorvoetwortelgewricht
Het gewricht van de pols is duidelijk geprononceerd.
Voormiddenvoet
Deze zijn licht schuin geplaatst, en profiel gezien.
Voorvoeten
De voet is droog, tamelijk vlak, met een duidelijk ovale vorm. De zooltjes zijn donker. De nagels, klein en hard, zijn bedekt door de vacht, die men ook aantreft onder de voet, tussen de voetkussentjes.

Achterhand

Algemeen
De hoekingen zijn tamelijk gesloten. Honden met halflange vacht hebben ledematen zonder bevedering.
Dijbeen
Deze is niet heel lang en ligt matig schuin, goed gespierd, bevleesd.
Onderbeen
Dit is tamelijk lang en schuin geplaatst.
Knie
De knie is goed gehoekt, in de richting van de lichaamsas.
Achtermiddenvoet
Verticaal geplaatst of iets schuin naar voren.
Spronggewricht
De sprong is droog, laag geplaatst, goed gehoekt. De sprongen zijn soms wat nauw.
Achtervoeten
De voet is droog, tamelijk vlak, met een duidelijk ovale vorm. De zooltjes zijn donker. De nagels, klein en hard, zijn bedekt door de vacht, die men ook aantreft onder de voet, tussen de voetkussentjes. De achterpoten kunnen al dan niet enkele of dubbele hubertusklauwen hebben.

Gangwerk

In stap heeft de Pyreneese herder een tamelijk ingehouden gang. De draf, die door de Pyreneese herder wordt verkozen, moet vrij en krachtig zijn. Bij de korte draf wordt het hoofd iets hoog gedragen; bij de langgestrekte draf ligt het hoofd in het verlengde van de ruglijn. De voeten worden nooit sterk opgeheven, de beweging is vloeiend, de hond scheert over de grond.

Huid

De huid is fijn, vaak gemarmerd met donkere vlekken, ongeacht de kleur van de vacht.

Coat

Haarkwaliteit
De lange of halflange, maar altijd rijkelijke beharing is vrijwel vlak of licht golvend, rijkelijker en wolliger op de kroep en op de dijen, de structuur houdt het midden tussen geitenhaar en schapenwol. De mengeling van droog haar en wollig haar veroorzaakt bij bepaalde honden strengetjes of koorden die "cadenettes" genoemd worden, en soms platen of "matelotes", die dakpansgewijs de kroep en de dijen bedekken. Men kan de "cadenettes" zelfs op de borst aantreffen en op de voorste ledematen ter hoogte van de ellebogen. De snuit heeft een kortere en minder rijke beharing. Aan het eind van de snuit, en soms op de hele snuit ligt het haar naar achteren, het is van voor naar achteren ingeplant. Aan de zijkanten, evenals op de wangen, is het haar langer en ziet het eruit alsof het "en coup de vent" (door een windvlaag) van voren naar achteren is weggestreken. De ogen moeten goed zichtbaar zijn en mogen niet door de beharing bedekt worden.
Haarkleur
Meer of minder donker fauve met of zonder menging van zwarte haren en soms wat wit aan borst en poten; donker of lichter grijs, met vaak wat wit aan hoofd, borst en ledematen; blauw met zwart gemengd (harlekijn of Leiblauw). Er komen ook gestroomde en zwarte vachten voor, of zwarte vachten met witte aftekeningen (beperkte aftekeningen). Zuivere vachtkleuren hebben de voorkeur.

Maat en gewicht

Schouderhoogte
Reuen van 42 tot 48 cm, teven van 40 tot 46 cm. Voor exemplaren die van een uitmuntend type zijn wordt tot 2 cm. schouderhoogte meer getolereerd.

Defecten

• Elke afwijking van de voorgaande punten moet worden beschouwd als een fout en de ernst waarmee de fout aangemerkt moet worden, in verhouding staan ​​tot de mate en het effect ervan op de gezondheid en het welzijn van betreffende hond en zijn vermogen om zijn oorspronkelijke werk te kunnen verrichten.
• De vermelde fouten moeten in ernst zijn.

Zware defecten

 Zware hond, zonder levendigheid.
 Spitsboogvormige schedel.
 Gewelfd voorhoofd.
 Een stop die te sterk gemarkeerd is.
 Een stop die ontbreekt.
 Snuit vierkant of rechthoekig.
 Pigmentgebrek op de neus of de lippen.
 Te lichte ogen of ogen met een verwilderde blik.
 Pigmentgebrek op de oogleden.
 Staart in krul op of boven de lendenen gedragen "eekhoorntjesstaart" (over de rug horizontaal omgebogen).
 Samengegroeide wervels.
 Te overvloedig op het hoofd, vooral als de ogen bedekt worden en als de beharing van de snuit er griffonachtig door wordt.
 Slechte structuur, te zachte vacht, draadharig, een vacht met krullen of gekroesd haar.
 Een vacht die niet dicht of dik genoeg is.
 Witte aftekeningen die meer dan 1/3 van de vacht beslaan.
 Een harlekijnvacht waarbij het contrast tussen grijs en zwart ontbreekt of waarin zwemen van fauve te zien zijn.
 Een te verbleekte vacht.
 Een zwarte vacht met rode aftekeningen aan hoofd en ledematen (zwart met fauve aftekeningen).

Defecten die leiden tot uitsluiting

 Agressief of bang.
 Neus en oogleden van een andere kleur dan absoluut zwart.
 Ondervoorbijter of bovenvoorbijter, of alle misvormingen van de kaken.
 Afwezigheid van meer dan 2 tanden, PM1 tanden niet betrokken.
 De aanwezigheid van de hoektanden en van de scheurkiezen verplicht.
 Natuurlijke oren die staand gedragen worden.
 Glasogen bij alle honden die geen harlekijnvacht of leigrijze vacht hebben.
 Vlekken door pigmentgebrek op de oogleden.
 Lichte gele ogen.
 Slappe staart die verticaal valt.
 Beharing gekruld.
 Witte vacht of een kleur die niet in de standaard is aangegeven.
 Aftekeningen die meer dan 1/3 van de vacht bij zwarte honden beslaan.
 Afmetingen die buiten de toegestane maten vallen.

NB :

• Elke hond die duidelijk lichamelijke of gedragsafwijkingen moet worden gediskwalificeerd.
• De gebreken hierboven vermeld, wanneer zij zich voordoen in een zeer duidelijke graad of frequent, zijn diskwalificerende.
• Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels hebben die in de balzak zijn ingedaald.
• Alleen functioneel en klinisch gezonde honden, met rastypische bouw moet worden gebruikt voor de fokkerij.

Bibliografie

http://www.fci.be/

 

Gedetailleerde geschiedenis

Paradoxale bestemming als die van de Herder van de Pyreneeën, aangezien deze hond, nog zeer oud, een van de herders van het ras was die later door Fransen werd herkend, zeker na de Briard of Beauceron in het bijzonder, hoewel het uiterlijk ervan, in tegenstelling tot dat van zijn rivalen waren in de loop van de eeuwen heel weinig veranderd.

Volgens de meest recente studies zouden de huidige Pyreneese herders voor hun voorouders kleine kuddehonden hebben, zelf van de Tibetaanse Terriërs die, samen met grotere honden afstammelingen van de Tibetaanse Mastiff, de Aziatische hordes hadden vergezeld. tijdens de grote invasies van de vierde eeuw. Toen de westwaartse opmars van de legers van Attila en Genghis Khan, Mastiffs en Terriers of Tibet, naar verluidt werden gekruist met inheemse stompen om de voorouders van de Nizinny, Tatra Shepherds en andere wit geklede mastiffs en, aan de andere kant, die van de Catalaanse herders (Gos d'Atura) en de Pyrenese herders.

Dit proefschrift, ongetwijfeld het meest overtuigend dat is uitgegeven over de vraag, vernietigt tegelijkertijd veel van de theorieën die eerder werden ondersteund door bepaalde specialisten voor wie de Pyreneese herder een afstammeling van de Berger de Brie zou zijn. Als deze races duidelijk een bepaald aantal punten gemeen hebben, al was het alleen maar omdat ze beiden herderinnen zijn, is het hoogst onwaarschijnlijk dat ze ooit de gelegenheid hebben gehad elkaar te ontmoeten op momenten dat het communicatiemiddel niet erg ontwikkeld maakte elke provincie, vooral toen het bergachtig was, een echt "continentaal eiland".

En zelfs in de veronderstelling dat dergelijke genetische "infusies" kunnen hebben plaatsgevonden tussen een hond die alleen bekend is in de zuidwestelijke wijk van Frankrijk en een andere die wijdverspreid is, vooral in de vlaktes van het noorden van het land, is het moeilijk te zien hoe de Briard zou kunnen hebben om de kleine Pyreneeën te baren, terwijl de laatste, volgens de mondelinge traditie van zijn thuisland, veel eerder is dan zijn veronderstelde voorouder.

Als klap op de vuurpijl en om de publieke opinie te verstoren, gingen enkele cynologen van de late negentiende eeuw zo ver dat ze beweerden dat de Pyreneese herder en de Pyreneese berghond een en dezelfde waren. ras, terwijl alles onze lichte atleet onderscheidt van zijn vriend, een waardige vertegenwoordiger van een andere groep, ook erg oud, die van molossoïden. De oorsprong van deze opeenvolgende verwarringen is waarschijnlijk te vinden in de fouten van oude auteurs, meestal beter geïnspireerd, wiens werk aan de Berger des Pyrénées, vaak uitgevoerd vanuit informatie die niet is gecontroleerd of geverifieerd in het veld, meer is voortgekomen uit de verbeelding dan wetenschappelijke waarneming. Aldus hebben beroemdheden zoals Brehm in Duitsland, Reul in België, de graaf van Bylandt in Nederland in hun respectievelijke werken een Pyreneese herder opgeroepen met de grens van fantasie, in elk geval heel verschillend van het echte onderwerp. Wees getuige van deze voorlopige ontwerpnorm die door de graaf van Bylandt in 1897 werd voorgesteld in zijn boek De hondenrassen, en die een hond beschreef met haar borstelig en halflang, met een kleine gebogen schedel, lange snuit, kleine oren, ogen soms versmald en lang gebouwd, of dit citaat uit de Duitse Brehm, dat een hond oproept met bijna harde haren, krullend als ze jong zijn, wit gekleurd met grote zwarte platen, lang, kort en gespierd, met de vingers zijn breedvliezen, het hoofd breed en ontwikkeld, de oren vrij spits en hangend, de snuit lange, vierkante en grote blauwe ogen springen in het oog door intelligentie, zachtheid, onverschrokkenheid te benadrukken.

Dichter bij het onderwerp en zichtbaar beter geïnformeerd, beeldde Pierre Mégnin van zijn kant het portret van de Pyreneese herder af: "Het is een Griffon wiens hoofd niet erg vol haren is; hij heeft nauwelijks een paar lange haren op zijn wenkbrauwen, maar hij heeft noch snor noch uitgesproken sik. Het is aan de achterkant dat het haar zich heeft opgehoopt. Daar heeft hij stevig slipje en op de dijen een dikke matras. De leden zijn bijna gelijk. De voeten zijn erg verspreid en herinneren de poot van de beer. De oren zijn recht in plaats van liggen. Wat betreft de kleur, het is niet wit met grote zwarte platen, maar zilvergrijs met de genoemde zwarte vlekken, met of zonder vuur op de benen, een kleur die vulgair Deens wordt genoemd. De ogen zijn vaak minnows, dat wil zeggen met een lichtblauwe iris. "

Ondanks de interesse die Franse en buitenlandse honden begonnen te brengen aan de herder van de Pyreneeën, duurde het tot de eerste wereldoorlog dat deze hond echt uit de schaduw tevoorschijn kwam. In 1916 stelde sub-luitenant Paul Mégnin, commandant Malric en dierenarts Hérout, die onder zijn verantwoordelijkheid voor de dienst des chiens de guerre was geweest, het Franse personeel voor dat de Pyreneese herder als een verbindingshond zou worden gebruikt. patrouille officier. Het idee werd onmiddellijk aangenomen door de militaire functionarissen, en de dienst van de honden van oorlog gestuurd naar de Pyrenese regio Théodore Dretzen, een kenner van het ras, om zoveel mogelijk onderwerpen te rekruteren. Kleiner dan veel andere herdersrassen, zouden de Pyreneanen weldra waardevolle assistenten worden voor de geallieerde infanteristen. Getuige deze waardering van J. Dhers later gepubliceerd in de kolommen van L'Eleveur, een krant die hij ondertussen medewerker was geworden: "In mijn hoedanigheid als voormalig trainingsofficier van de Dienst van de honden van oorlog, is het mijn plicht om hardop te verkondigen dat het de race is van de kleine Pyreneese herder die het leger heeft voorzien van de meest intelligente, sluwste, de snelste en de meest vaardige verbindingshonden. "

Deze welsprekende dienstbetuigingen zouden bijdragen aan de faam van de Pyreneese herder in de onmiddellijke naoorlogse periode, culminerend in de creatie in 1923; onder leiding van Bernard Senac-Lagrange, aan wie we een grondige studie van zijn raciale karakters en enkele Pyrenese honden te danken hebben; van de Ontmoeting van hondenliefhebbers uit de Pyreneeën. Deze club had een standaard opgesteld, niets was nu tegengesteld aan de erkenning van de Herder van de Pyreneeën door de Centrale Hondenmaatschappij en het Ministerie van Landbouw, erkenning die tussenbeide kwam in 1926. Deze hond kon dus deelnemen, dezelfde andere herdersrassen zoals Beauceron en Briard op de Centrale Algemene Agrarische Wedstrijd.

Een zeldzaamheid in de annalen van de hondenfokkerij, de redactie van de standaard had zorgvuldig twee soorten Pyreneese herders onderscheiden: een waarvan het hoofd in zijn algemene vorm doet denken aan de bruine beer, met de snuit gevormd hoek, de andere met een schoon gezicht en iets korter haar op het lichaam; ze hadden bovendien een verschil van tien centimeter in de grootte van de onderwerpen toegegeven. Veel amateurs waren verrast, vooral J. Dhers, aan het einde van de vorige eeuw, die deze bijzonderheid verklaarde door de hierboven genoemde continentale insulariteit, en die schreef: "Hoewel de race heel duidelijk is vastgesteld en gedefinieerd we zien in onze bergen dat de typen enigszins variëren van vallei tot vallei. De standaard blijft hetzelfde, maar sommige kleine details ontsnappen niet aan de bergcynofielen. Dit is hoe Arbazzie's hond het modeltype van de standaard zou zijn. De kleine hond Saint-Beat is vlezig, met een ronde kop. Lijkt op een miniatuur Bobtail. De herder van Azun, altijd zwart, lijkt een verkleinwoord van het Groenendael.

Deze morfologische verschillen worden hoofdzakelijk verklaard door geografische redenen, en vooral door de moeilijkheden van communicatie tussen de polen van habitat op hoogte, die de bevestiging van bepaalde lokale soorten zeer consanguineous bevorderden.

Omgekeerd is het eigenlijke type schoon gezicht volgens specialisten afgeleid van kruisen tussen de zogenaamde "klassieke" Berger des Pyrénées en honden van subpyrenees. Charles Duconte, rechter van de SCC en eindkenner van het ras, schreef verder over dit onderwerp: "Er bestaat in de sub-Pyrenese regio, en in het bijzonder in Béarn, de Bigorre en het Adour-bekken, een grote aantal schapenhonden. Hun nabijheid van leefgebied, de transhumance van bepaalde kuddes die de honden vergezelden, maken dat er noodzakelijkerwijs bonden waren tussen hen en hun bergbroeders. Dit resulteerde in het algemeen in een hond hoger op poten, halflang haar op het lichaam, gelijk op het hoofd en ledematen, waarvan de craniale box een beetje meer ontwikkeld is, maar herinnert aan zijn vorm die van pure berg . Deze honden worden bovendien zeer gewaardeerd door de paardenhandelaren en "kloppers" die de beurzen in de regio runnen. "

Hoog gewaardeerd om zijn vermogen om schapen en paarden te drijven, geprezen door het leger voor de diensten die hij had geleverd in tijden van oorlog, had de Pyreneese herder titels van adel gekregen die hem in staat stelden een onweerstaanbare opkomst te beginnen . Al in 1927 wijdde Dutrey de Rabastens hem een ​​opmerkelijke proefschrift getiteld The Cradle of a Canine Race: de Pyrenese herdershond; dit proefschrift zal later Duconte en Sabouraud inspireren voor hun boek Pyrenese honden. De kleine Pyreneeën vormden voortaan het hart van de zorgen van vooraanstaande cynologen.

Na de Tweede Wereldoorlog nam de ontwikkeling van het toerisme, waardoor duizenden stedelingen kennis konden maken met deze kleine hond, de populariteit ervan verder op, die internationaal werd. De Pyreneese herder was misschien wel de laatste herdervlucht die de wereld van het hondeneten ontdekte, maar de bekendheid ervan mag nooit opnieuw ter discussie worden gesteld. Zozeer zelfs dat hij vandaag een zeer gewaardeerde hond is. We zouden kunnen zeggen dat de Pyreneese herder een reputatie heeft die omgekeerd evenredig is aan zijn grootte. Het ras wordt inderdaad unaniem geprezen, en door de professionals die ervoor kozen om het te laten werken en door de personen die het als een hond hebben geadopteerd. Het is vooral een hond die opmerkelijk is aangepast aan de hoogte. Zijn lichaam bevindt zich in een rechthoek, en zijn zwaartepunt, dicht bij de grond, zorgt voor maximale stabiliteit in de geaccentueerde hellingen. Hij heeft een droge voet en een magere zool en houdt de rots heel goed vast. Lichtjes naar buiten gekeerd, maken haar achterpoten het gemakkelijker voor haar om in de bergen te lopen. Zijn redelijke voedselbehoeften en kleine omvang, die hem verhinderden om een ​​schaap omver te werpen door hem te verdringen, maakten hem ooit de ideale hulp voor herders.

Op het werk weerspiegelt zijn gedrag perfect zijn twee essentiële eigenschappen: alertheid en alertheid. Zeer snel, duwt hij de achterblijvers met een snuit van de snuit, keert terug in de rij de geïsoleerde duisternis voor de kudde om de schapen of de schapen de richting aan te geven die moet volgen. Maar waar nodig, weet hij ook hoe hij zijn passie moet stoppen. In gevaarlijke passages, behendig, zal hij de dieren één voor één op een waakzame manier leiden om ze op een veilige plaats te zetten.

Als er een gebied is waar de Herder van de Pyreneeën de herder zelf overtreft, is het op zoek naar een verloren dier. Er ontbreekt een schaap. Voorafgaand aan de herder begint de kleine Pyreneeën zijn zoektocht, doorzoekt de moeilijkst bereikbare hoeken, onderzoekt de minste fout. Een plichtsgevoel dat ons door een herder is beschreven: "Tijdens de winter, voor het mesten van de jongen, reed ik de lammeren in een speciale doos om ze een extra rantsoen te geven. De lammeren begrepen snel het doel van de manoeuvre en maakten het werk dus gemakkelijker. Willy, een Pyreneese herder, woonde regelmatig de operatie bij, zittend bij de deur. Men zou gezworen hebben dat hij de lammeren terloops telde. Op een dag, toen de lammeren klaar waren met eten en de kist hadden verlaten, ging de hond, zoals hij gewoonlijk deed, naar de plaats waar de kleintjes vandaan kwamen en raakte in paniek onmiddellijk naar mijn vrouw terug, in een poging hem te maken begrijp dat je moet gaan kijken. Voor zijn onverschilligheid trok hij de bodem van zijn schort. Mijn vrouw besloot uiteindelijk ter plekke te beseffen dat er achter een rek een lam zat vastgelopen, zonder adem te hebben gekregen. Willy likte het hoofd van het diertje langer dan vijf minuten om hem te troosten en vergezelde hem naar zijn moeder. "

Een andere herder, Philippe Defrance, roept op zijn beurt de kwaliteiten van de kleine Pyreneeën op: "De reflexen van de Pyreneese herder zijn onvergelijkbaar en superieur aan die van alle andere herdervluchten. Zijn gehoorzaamheid en trouw zijn opmerkelijk. Zijn initiatief, zijn oordeel en zijn geheugen ontbreken nooit zodra hij op de proef wordt gesteld. Zijn moed komt voort uit zijn verharding tot lijden. De luizen zijn niet minder uitstekende zuivelproducten wanneer ze in hun rantsoenen de noodzakelijke voedingsstoffen vinden. "

Heel exclusief, de Pyreneese Herder heeft de neiging om slechts één meester te kennen, waaraan hij hartstochtelijk gehecht zal blijven, en die alles van hem steunt als hij vindt dat het nuttig is. Zijn waakzaamheid op het werk wordt alleen geëvenaard door zijn wantrouwen thuis. Zijn dapperheid is ook legendarisch. Er wordt zelfs gezegd dat hij vroeger niet aarzelde om de beren aan te vallen, die een beetje te dichtbij de kudde van zijn meester zouden hebben benaderd. Nogal een vechter, de Pyreneese herder is vaak de oorzaak van gevechten met andere honden. Op deze momenten toont hij flexibiliteit, snelheid en biedt hij zijn tegenstander maar weinig houvast, en door een opeenvolging van bekwame bewegingen en onvoorziene aanvallen plaatst hij een paar goede tanden. Hij is een lichte atleet, een jager zonder zwakte, eigenschappen die we soms neigen te vergeten wanneer deze hond in de stad woont.

Om de kwaliteiten van de Pyreneese herder te behouden, hebben de fokkers en managers van de reünieclub van hondenliefhebbers in de Pyreneeën sinds enkele jaren het credo van alle "bergérophiles" overgenomen: zonder werk, zonder behoud. Dat betekent, op een meer expliciete manier: de hond van schapen kan niet worden verwijderd uit de functies van een werkhond die hij vele eeuwen heeft gevuld zonder naar de degeneratie van het type te rennen. Te dien einde is de Pyreneese herder, die om voor de hand liggende economische redenen geen toekomst had in het drijven van schapen, teruggekeerd naar nieuwe taken, reconversie die hem door zijn veelzijdigheid volledig heeft kunnen slagen.

Niet aarzelend om te bijten indien nodig, werd de kleine Pyreneeën dus ingewijd in de rol van hond van defensie en politie. Als de grootte ervan voorkomt dat hij zo hoog springt als sommige anderen, bewondert zijn ontspanning niet minder dan bewondering. Een gewonde man werd gezien op een voorste klauw door een stenen muur van 1,70 meter en een hek met prikkeldraad erboven. Met dergelijke mogelijkheden, werd de Pyreneese herder natuurlijk geroepen om een ​​bewaker van kinderen te worden, vooral omdat hij weet hoe kalm te zijn in aanwezigheid van een zwakker, hij is meestal zo uitbundig.

Zeer sportief, hij kan het nauwelijks verdragen zich te beperken tot een appartement, en zelfs in een tuin als hij niet de mogelijkheid heeft om op grotere plaatsen te rennen. In zijn natuurlijke omgeving kan hij reizen van 15 tot 40 kilometer per dag. Hij heeft de aanwezigheid van zijn meester dringend nodig; als hij te vaak alleen moet blijven, en vooral als hij zich nutteloos voelt, kan hij nors worden, zelfs agressief. Afgezien van deze zaak stelt hij geen specifieke problemen en, mits zijn opleiding stevig maar eerlijk is en tussen twee en zes maanden gegeven, kan hij overal worden meegenomen.

Alleen gelaten thuis of in een auto, zal de Pyreneese herder neigen te blaffen. Soms beschamend, is deze geneigdheid om zijn stem te laten horen deel van zijn persoonlijkheid, wat nooit goed is om systematisch te ergeren. Huisdier, omdat hij niet langer op de hellingen van de Pyreneeën hoeft te spenderen, deze hond blijft erfelijk getekend door het leven van zijn voorouders. Hoewel zijn vakgebied steeds meer die van grote steden is, moet hij een leven leiden dat hem dagelijks zijn vitaliteit en intelligentie kan laten uiten.

alle; of bijna alle eigenaren van Pyreneese herders zijn er zeker van en trots op een hond die niet "is zoals de anderen". Ze zijn niet per se verkeerd. Genaamd in zijn oorspronkelijke regio "de hond die God zag" vanwege zijn expressieve blik die duidt op intelligentie en soms zelfs op verhoging, heeft deze bergbeklimmer in de ziel al lang bewezen dat hij wist hoe hij zich moest aanpassen aan andere plaatsen, stedelijk of landelijk.

Geen reacties

Er zijn nog geen reactes geplaatst.