Pyreneese Berghond

FCI standaard Nº 137

Land van oorsprong
Frankrijk
Groep
Groep 2 Pincher,Schnauzer, Molossers, Berghonden en Zwitserse Sennenhonden
Sectie
Sectie 2.2 Molossers type Berghonden
Werkproef
Zonder werkproef
Definitieve erkenning door de FCI
dinsdag 25 januari 1955
Publicatie van de geldende officiële norm
dinsdag 13 maart 2001
Laatste update
maandag 02 april 2001
En français, cette race se dit
Chien de montagne des Pyrénées
In English, this breed is said
Pyrenean Mountain Dog
Auf Deutsch, heißt diese Rasse
Pyrenäen Berghund
En español, esta raza se dice
Perro de montaña de los Pirineos

Gebruik

Waak- en verdedigingshond van de kudde in de bergen

Kort historisch overzicht

Aanwezig in de Pyreneeën sinds onheugelijke tijden, gekend in de Middeleeuwen en gebruikt als bewaker van de kastelen, hij wordt vermeld door Gaston Phoebus in de 14e eeuw. Al gewaardeerd als gezelschapshond in de 17e eeuw, hij kende zijn glorietijd aan het hof van Louis de 14e. De eerste gedetailleerde beschrijving van de hond dateert uit 1897 in het boek van Graaf van Bylandt. 10 jaar later is de eerste rasclub opgericht en in 1923 heeft de “la Reunion des Amateurs de Chiens Pyrenees”op initiatief van Dhr. M. Bernard Senac- Lagrange de standaard officieel laten registreren bij de S.C.C. De actuele standaard is nog steeds nauw verwant aan de standaard van 1923, het zijn vooral de bijzonderheden die zijn toegevoegd.

Algemeen totaalbeeld

Een grote hond, imposant en krachtig gebouwd, maar niet ontdaan van een zekere elegantie.

Belangrijke verhoudingen

De maximale breedte van de schedel is gelijk aan de lengte van de schedel.
De voorsnuit is ietwat korter dan de schedel.
De lichaamslengte gemeten vanaf het boe gewricht tot de punt van de zitbeen knobbel is langer dan de schofthoogte.
De borstdiepte is gelijk aan de helft van de schofthoogte of iets minder.

Gedrag en karakter (aard)

Gebruikt om zelfstandig de kudde te beschermen tegen aanvallen van roofdieren, zijn selectie berust op de eigenschappen van bewaker en verdediger, evenals zijn ijver (gehechtheid) voor de kudde. De voornaamste kwaliteiten die hieruit voortkomen zijn kracht en beweeglijkheid alsmede de zachtheid en aanhankelijkheid naar diegenen die hij beschermt. Deze waakhond heeft de neiging naar onafhankelijkheid en een hang naar initiatief die van zijn baas een zekere autoriteit (dominantie ) verlangt.

Hoofd

Bovenschedel

Hoofd
Niet te groot in verhouding met het lichaam. De zijkanten zijn tamelijk vlak.
Schedel
De maximale breedte van de schedel is gelijk aan de lengte. De schedel is licht gewelfd de vorm van de schedelkam is boogvormig, waarneembaar bij aanraking. De achterhoofdsknobbel is zichtbaar, de schedel tot aan het achterste deel heeft een ovale vorm. De wenkbrauw bogen zijn niet gemarkeerd, de voorhoofdsgroef is licht voelbaar tussen de ogen. 
Stop
Is zacht glooiend.

Facial region

Neus
Is volledig zwart.
Voorsnuit
Is breed, ietwat korter dan de schedel, geleidelijk aan versmallend aan het uiteinde. Van boven gezien is de snuit V-vormig met een afgeknotte punt. Hij is goed gevuld onder de ogen.
Lippen
Zijn een weinig hangend en bedekken net de onderkaak. Zij zijn zwart of zeer sterk zwart gemarkeerd, evenals het verhemelte.
Kiezen / tanden
Moeten compleet zijn, de elementen sterk en wit. Het is een schaargebit (de bovenste insicivi moeten in contact staan met de onderste) een tanggebit is toegestaan evenals dat de twee middelste incicivi lichtjes naar voren staan.
Ogen
Zijn tamelijk klein, amandel vorming ietwat schuin geplaatst, met een intelligente en beschouwende expressie, de kleur is bruin amber (barnsteenkleurig). De oogleden zijn nooit hangend en zij zijn zwart omrand. De blik is zacht en dromerig.
Oren
Zijn op ooghoogte aangezet, zijn tamelijk klein, driehoekig van vorm, en afgerond aan de punt. Zij vallen vlak tegen het hoofd, en worden wat hoger gedragen als de hond alert is.

Hals

De hals is sterk, ietwat kort met weinig keelhuid.

Lichaam

Algemeenheid
De lengte van het lichaam gemeten vanaf het boeggewricht tot aan de punt van de zitbeenknobbel is ietwat langer als de schofthoogte. De hoogte van het borstbeen tot de grond is bijna gelijk aan de helft van de schofthoogte maar nooit minder.
Bovenprofiel
Goed verbindend.
Schoft
Breed.
Rug
Van goede lengte, stevig, sterk.
Lendenpartij
Van gemiddelte lengte.
Croupe
Lichtelijk aflopend met duidelijk uitstekende heupen.
Borst
Niet te veel aflopend, maar breed en diep. De borst reikt tot de elleboog, niet lager, de diepte is gelijk of ietwat minder als de helft van de schofthoogte.
Ribben
De ribben zijn lichtelijk rond.
Flank
Weinig aflopend.

Staart

Staartlengte tenminste tot het spronggewricht. Hij is dicht behaard en vormt een pluim. Hij wordt in rust laag gedragen met aan het uiteinde bij voorkeur een haak. Als de hond op zijn hoede is (alert) wordt de staart sterk gekruld waarbij alleen het uiteinde de lenden aanraakt. Hij maakt het wiel “ arroundera ” is de uitdrukking van de Pyreneese bergbewoners.

Ledematen

Voorhand

Algemeen
Zijn loodrecht en sterk.
Schouders
Middelmatig schuin.
Opperarm
Gespierd van gemiddelde lengte.
Onderarm
Recht, sterk en goed bevederd.
Voorvoetwortelgewricht
De pols staat in het verlengde van de onderarm.
Voormiddenvoet
Ietwat schuin.
Voorvoeten
In het verlengde, compact met de tenen licht gewelfd.
De voorbenen hebben soms ook enkele of dubbele hubertus klauwen.

Achterhand

Algemeen
De achterbenen zijn voorzien van lange beharing die veel dichter is dan de bevedering van de voorbenen. Van achter gezien staan zij loodrecht op de grond.
Dijbeen
Zijn goed gespierd, erg lang, middelmatig schuin. ” Gigoté ” (goed bevleesd).
Onderbeen
Van gemiddelde lengte en sterk (krachtig).
Knie
Middelmatig gehoekt en in de lijn (spil) van het lichaam.
Spronggewricht
Breed, droog, middelmatig gehoekt.
Achtervoeten
Iets in het verlengde, compact met de tenen licht gewelfd.
De achterbenen hebben dubbele goed ontwikkelde hubertus klauwen.

Gangwerk

Het gangwerk van de Pyreneese Berghond is krachtig en gemakkelijk (vlot), nooit de indruk gevend van logheid, het gangwerk is eerder ruim dan snel en niet zonder een zekere souplesse en niet zonder een zekere elegantie. Het zijn de hoekingen van de hond die het mogelijk maken dit gangwerk vol te houden.

Huid

Dik en soepel, hij laat vaak pigment vlekken zien op het hele lichaam.

Coat

Haarkwaliteit
De vacht is goed dik, vlak, tamelijk lang en soepel, tamelijk (vrij) hard op de schouders en de rug. Langer aan de staart en rondom de hals, waar het iets golvend mag zijn. De vacht van de broek is fijner en wolliger en erg dik. De ondervacht is eveneens goed dik (dicht).
Haarkleur
De kleur is wit of wit met grijze vlekken “blaireau” (das of wolfskleurig), bleek geel, of oranje (arrouye), op het hoofd, de oren en bij de staart aanzet, soms op het lichaam. De daskleurige vlekken worden het meest gewaardeerd.

Maat en gewicht

Schouderhoogte
Reuen 70-80 cm, teven 65-75 cm. Een tolerantie naar boven van 2 cm is toegestaan voor honden van het perfecte type.
Gewicht
Ongeveer 60 kg voor reuen en 45 kg voor teven.

Defecten

• Elke afwijking van de voorgaande punten moet worden beschouwd als een fout en de ernst waarmee de fout aangemerkt moet worden, in verhouding staan ​​tot de mate en het effect ervan op de gezondheid en het welzijn van betreffende hond en zijn vermogen om zijn oorspronkelijke werk te kunnen verrichten.
• De vermelde fouten moeten in ernst zijn.

General defecten

 Totaalbeeld als de hond de indruk geeft van zwaar, zonder adel.
 Een hond die te dik, slap (krachteloos) of apathisch is.
 Hoofd te zwaar, rechthoekig van vorm, schedel te breed, gewelfd (bol) voorhoofd.
 Te sterk geprononceerde stop of miniem.
 Te veel hangende lippen, hanglippen vormend.
 Pigment verlies op de neus, de oogranden en lippen.
 Ronde ogen, lichte ogen, te diepliggend of uitpuilende ogen, te grote of te kleine ogen.
 Te dicht bijeenstaand of te ver uit elkaar staand.
 Derde ooglid zichtbaar.
 Harde uitdrukking.
 Oren te breed, lang, gedraaid, geplooid, naar achteren geslagen of te hoog aangezet.
 Hals schraal (dun), te lang of te kort, de indruk wekkend dat het hoofd in de schouder zit.
 Te veel keelhuid.
 Bovenbelijning met een zadelrug of een gebogen rug (karperrug), dip vertonend.
 Buiklijn te sterk oplopend of afhangend.
 Borst te breed of te smal.
 Ribben te vlak of te gewelfd (tonvormig).
 Staart weinig bevederd of slecht gedragen.
 Te kort of te lang, zonder pluim.
 Bij actie niet het wiel makend of continu het wiel makend zelfs bij rust.
 Voorste ledematen voeten naar binnen gedraaid en ellebogen naar buiten gedraaid.
 Hoek schouder opperarm te open.
 Achterste ledematen voeten naar buiten gedraaid en hakken naar binnen staand.
 Spronghoeking recht of teveel gehoekt.
 Voeten lang en plat.
 Vacht kort of gekruld, zijdeachtig, slap, zonder onderwol.

Defecten die leiden tot uitsluiting

 Agressief of schuw.
 Kleur anders dan vermeld in de standaard.
 Neus andere kleur dan absoluut zwart.
 Bovenover of ondervoor beet of elke andere misvorming van de kaken.
 Ogen vleeskleurig vlekken op de oogleden.
 Gele ogen.
 Afwezigheid van dubbele hubertus klauwen, enkele - of slecht ontwikkelde hubertus klauwen aan de achterbenen.
 Honden vallend buiten de standaard maten.

NB :

• Elke hond die duidelijk lichamelijke of gedragsafwijkingen moet worden gediskwalificeerd.
• De gebreken hierboven vermeld, wanneer zij zich voordoen in een zeer duidelijke graad of frequent, zijn diskwalificerende.
• Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels hebben die in de balzak zijn ingedaald.
• Alleen functioneel en klinisch gezonde honden, met rastypische bouw moet worden gebruikt voor de fokkerij.

Bibliografie

http://www.fci.be/

 

Gedetailleerde geschiedenis

De berghond van de Pyreneeën is de beroemdste Franse hond ter wereld. Hij is ook, zoals de kleine Pyreneese herder met wie hij soms verward is, degene die het dichtst bij zijn regionale wortels bleef.

Zoals blijkt uit de ontdekking van botten van dergelijke honden in archeologische vindplaatsen die dateren van 1800 tot 1000 voor Christus. -C., De Berg van de Pyreneeën zou aanwezig zijn in de hoge valleien van het zuidwesten van Frankrijk sinds de bronstijd, ontdekking die tegelijkertijd de stelling vernietigt van sommige auteurs dat deze hond in Spanje werd geïntroduceerd door de Feniciërs, vooral door hun balie van Cadiz. De berg van de Pyreneeën, dus geïmplanteerd in deze regio van Frankrijk, zou het verlaten, behalve enkele uitzonderlijke en opvallende omstandigheden, voor honderd jaar.

Wat de oorsprong betreft, het is zeer waarschijnlijk dat zijn voorouder uit Centraal-Azië komt en afstamt van de Tibetaanse Mastiff. Als de weg lang is van de Tibetaanse hooglanden naar de Pyreneeën, is het niettemin bedekt met berghonden waarvan de familieleden meer dan duidelijk zijn met de Patou (bijnaam aanhankelijk maar denigrerend gegeven aan het ras door de bergbeklimmers) Pyreneeën), een verwantschap die de beroemde hondenspecialist Senac-Lagrange al sinds 1908 had opgemerkt. Dus, van Afghanistan tot Turkije, terwijl ze Iran en de Kaukasus passeerden, toen van Joegoslavië naar de hoge reliëfs Spaans en Portugees, tijdens het passeren van Tsjecho-Slowakije, de Alpen en de Pyreneeën evolueren verschillende soorten honden die op veel punten vergelijkbaar zijn en die beantwoorden aan de namen van Leonberg, Herder van Tatra, Herder van Abruzzes en Maremma, Kuvasz, Komondor, Sint-Bernard en Berghond van Pyreneeën.

Nog belangrijker is dat de verspreidingskaart van berghonden in Europa getrouw weergeeft wat betreft de aanwezigheid van de laatste grote roofdieren, zoals beren, lynxen en wolven (die vandaag niet te vinden zijn, alleen in sommige delen van Centraal- en Oost-Europa), wat duidelijk aantoont dat de primaire rol die aan deze honden werd toevertrouwd de verdediging van de kuddes was. Ongetwijfeld hebben berghonden een veel grotere verspreiding gehad, maar hun natuurlijke habitat bevindt zich in de meest ontoegankelijke en wildste gebieden, waar mensen lang hebben geleefd op basis van een traditionele pastorale economie.

Het geval van de berg van de Pyreneeën is in dit opzicht exemplarisch, aangezien de wolven die uit Spanje komen tot een recente periode; de laatste wolf van de Pyreneeën werd gedood in 1885; vertegenwoordigde een reëel gevaar voor de kudden. Volgens Hubbard "overstroomden" ze de valleien van de Franse kant van de Pyreneeën. Maar ook, en vooral, de Pyrenese keten heeft bewezen het laatste toevluchtsoord van beren te zijn (waarvan de te weinige exemplaren die we proberen te redden niet langer een gevaar vormen). De "berengod", die bovendien in oude heidense tradities als een symbool van macht en vruchtbaarheid werd beschouwd, achtervolgde eeuwenlang de collectieve verbeeldingskracht van bergbeklimmers. Zo vormden de Pyreneeën de setting van een echte bergbeschaving, die in geen enkele andere Franse regio zijn equivalent heeft: in zeer rigoureuze omstandigheden, soms met een echte ellende, klampten de Pyrenese bergbeklimmers zich vast, met zoveel mogelijk koppigheid als trots, fokken van kuddes heel vaak ethisch, om hun onafhankelijkheid te behouden. In deze moeilijke situatie, die nog steeds het dagelijks leven van veel Pyrenese dorpen in de achttiende eeuw markeerde, waren de grote witte honden, waken over deze magere kudden en hun eigenzinnige voorgangers, een essentieel element van overleven voor de berggemeenschappen. De grote omvang van de Pyreneese hond (hij was viermaal groter dan de schapen waarmee hij de veiligheid garandeerde) lijkt misschien paradoxaal, gezien de gebrek aan voedsel dat is gebaseerd op melk en kaaskorst. Misschien hebben we niet genoeg naar dit fenomeen gekeken: we hebben de neiging om te denken dat vooruitgang in de fokkerij en voeding van honden heeft geleid tot een toename van de grootte van honden; maar dit lijkt niet van toepassing op de berg van de Pyreneeën, die, zoals de oudste fotografische documenten aangeven, ooit zo indrukwekkend was als het nu is; sommigen zeggen zelfs dat hij nog sterker was.

De vroegst geschreven getuigenissen over de berghond van de Pyreneeën dateren uit het einde van de 14e eeuw: er wordt vermeld dat bepaalde vertegenwoordigers van het ras vanaf 1350 de kastelen van Foix, Orthez en Carcassonne hebben bewaard. In 1407, zegt de historicus Bourdette, werd deze hond gebruikt in het kasteel van Lourdes; hij specificeert zelfs dat de wachthuisjes speciaal waren ingericht voor de huisvesting van de hond en de bewaker, en dat de gevangenbewaarders van de kasteelgevangenis altijd werden vergezeld door een of meer van deze honden. Argotte de Molina en Gaston Phoebus, die hem "berenhond" noemen, tonen de Pyreneeën met de beroemde ijzeren halsband, bezaaid met lange spijkeren, die hem verhinderden te worden gewurgd tijdens het vechten met zijn formidabele tegenstander.

De berg van de Pyreneeën kende een onverwachte bekendheid in 1675, ter gelegenheid van de reis van Mme de Maintenon naar Eaux de Barèges, waar zij de jonge hertog van Maine vergezelde, zoon van Lodewijk XIV en Mme de Montespan, toen acht jaar, wiens opleiding ze regisseerde. De jonge hertog nam vriendschap voor een Patou en wilde hem meenemen naar Versailles.

Twee jaar later kocht de markies de Louvois, die ook naar de kuur in de regio was gekomen, Betpouey een jaar oud onderwerp, prachtig volgens de kroniek, en veroorzaakte een sensatie aan het hof. De Hond van de Pyreneeën genoot toen een zekere mode, zoals blijkt uit een schilderij van François Desportes (1661 - 1743), officiële schilder van jachten en koninklijke honden, die twee exemplaren voorstelt van een wolf. De Pyreneeën die als "koninklijke hond" zijn verordend, vonden veel hovelingen dat het in de mode was om er een te hebben, voor de verzorging van hun Parijse huizen en hun provinciale kastelen.

In 1824 stuurde La Fayette een paar van deze honden naar zijn Amerikaanse vriend Skinner en, in een missive, adviseerde hij het ras van harte als "van onschatbare waarde voor schapenfokkers in alle gebieden die worden blootgesteld aan aanvallen van de wolf en aan de slachtlammeren van lammeren ". Helaas hebben deze honden in die tijd niet overzee geknoeid. Pas in de negentiende eeuw nam het bewijs van de Pyreneese hond toe. Ze zijn afkomstig van Franse en buitenlandse cynologen, zoals Brehm, de graaf van Bylandt, Pierre Mégnin, Benedict Henri Revoil, Hugh Dalziel, maar ook reisverhalen, verslagen, tijdschriftartikelen (de passie van de romantici voor de " wilde schoonheid "van de berg brengt het in de mode, en de popularisering van thermale kuren brengt veel stedelingen om de Pyrenese landen te ontdekken). Prenten en ansichtkaarten reproduceren de meest karakteristieke aspecten van de bergbeschaving: de Pyreneese hond bevindt zich in een goede positie. Als, bij gelegenheid, zijn rol als een lawinehond wordt genoemd, is dit zijn essentiële functie; herder; welke dan meestal wordt gekenmerkt.

Reeds in 1600 verzette Olivier de Serres zich in zijn Theater van landbouw en kennis van de velden tegen de honden van "donkere kleur", bestemd voor de bewaker van de huizen, en de witte honden die, "door de overeenstemming van hun kleur, gemakkelijk met schapen en schapen praten ". Dit was ongetwijfeld een veel te literaire manier om het werk van de Pyreneese hond te waarderen. Onder de bergbeklimmers zien we dingen realistischer: het opvoeden van dergelijke honden is om effectieve voogden te verzekeren; mits ze van een goed ras zijn.

Aan het begin van de negentiende eeuw, om nog steeds empirisch te zijn, is de selectie desalniettemin vereist voor de kenners, op de markten waar van oudsher de verkopen plaatsvinden. Het getuigenis van Commettant (geciteerd door Dr. Luquet) in 1808, onthult in dit opzicht: "Elke zondag gingen de herders naar Cauterets waar ze, op de marktplaats, zeker niet terug naar hun hut zouden gaan. lege zakken als de honden die ze hadden gebracht, raszuiver waren. "

Vanaf ongeveer 1850 is de faam van de Hond van de Pyreneeën definitief overgelopen van zijn voorouderlijke weiden, de cynofielen beginnen geïnteresseerd te zijn in de race. Tijdens de eerste Franse tentoonstelling, georganiseerd door de Imperial Society of Acclimatization in 1863 in de Orangerie, worden verschillende exemplaren gepresenteerd en krijgen er twee een beloning. Na de tweede tentoonstelling, georganiseerd in 1865 in Parijs, merkt de Engelse cynoloog Richardson op: "De opmerkelijkste bij de waakhonden zijn de honden van de Pyreneeën, die groot zijn; hun haar is hard, vrij lang en goed ingericht, hun oren hangen en hun witte jas met grote oranje, oker of grijze vlekken, vooral op het hoofd en de nek; hun staart is erg bossig, ze hebben blauwe ogen en dubbele sporen. "

Vanaf dat moment wordt het ras regelmatig gepresenteerd in hondenshows; ruim daarvoor de jaren 1906 - 1907, zoals soms wordt beweerd; zelfs als de blootgestelde monsters vaak van zeer variabele kwaliteit zijn.

In 1874, in de krant L'Acclimatation, verschijnt een artikel vermoedelijk geschreven door de Kermadec, een cynofiel gewaarschuwd, die de verdienste heeft om de regio's te identificeren waaruit de mooiste onderwerpen zouden kunnen ontstaan ​​en om de gevaren van vernedering te signaleren en verdunning die de race al drukte. Daarentegen staat het in contrast met de hond uit de westelijke Pyreneeën, wijdverspreid in de regio Bagneres, wit met zwarte vlekken en nogal hurkachtig, die van de oostelijke Pyreneeën, die "lang is, slanke vormen heeft, snuitneus, oren wees en hangend , de vacht is zacht, zijdeachtig en overvloedig, een sneeuwwit met lichtgrijze vlekken of coffee-au-lait; meestal bestaan ​​deze vlekken alleen op de oren en op het gezicht. In het laatste geval heeft het een zwartachtige band op elk oog; vaak is het ook helemaal wit. Dit type, misschien wel de mooiste van alle Franse waakhonden, is, net als alle berghonden, opmerkelijk vanwege zijn kracht en waakzaamheid. Het was vroeger wijdverspreid in het deel van de Pyreneeën dat grenst aan het departement Ariège en de Republiek Andorra, maar het lijkt vandaag zeer zeldzaam te zijn, als het niet volledig is verwoest. Gelukkig waren deze opmerkingen enigszins pessimistisch, omdat er op dit moment nog steeds proefpersonen voorkomen die zo typerend zijn dat ze niet zo ver afstammen. De zuiverste onderwerpen waren elders in de sector Tarbes - Lourdes - Cauterets.

De verdienste van een eerste volledige beschrijving van de "Patou" gaat naar de graaf van Bylandt, de grote Belgische cynoloog; in 1897 publiceerde hij in The Races of Dogs (een monumentaal werk in twee delen) een conceptstandaard, met illustraties ter ondersteuning. Over het geheel genomen, ondanks enkele fouten (de "puntige" snuit, of de rug die kan worden "opgezadeld"), komt het portret overeen met dat van de honden van vandaag, hoewel twee typische kenmerken niet worden vermeld: de beroemde "Pyrenese uitdrukking" en de staart die het wiel maakt ("arroundera", zeggen de Pyreneeën) wanneer de hond in actie is. Bylandt had de gelegenheid om zijn waardering op het terrein te controleren, aangezien hij in 1907 een lange reis in de Pyreneeën maakte, om Théodore Dretzen te begeleiden, een machtige magnaat van de pers die had besloten zijn vrije tijd aan de fokkerij te wijden van de Pyreneese hond, op advies van Dr. Pierre Mégnin. Twee maanden lang reisden Dretzen en Bylandt door de Pyreneeën op zoek naar mooie onderwerpen, en ze brachten verschillende honden terug in de regio Parijs. Gepassioneerd over zijn nieuwe fokkerijbedrijf, heeft Dretzen zijn middelen niet gespaard: hij bouwde een modelkennel in Bois-Colombes, waaronder een keuken, ziekenzaal, badkamers en droogkamers, en hij omringde zijn honden aandacht.

Hoe origineel ook, de actie van deze verlichte amateur, zo gelukkig als ongeïnteresseerd, droeg effectief bij om de race naar de Franse cynofielen bekend te maken. Foto's van de tijd laten enkele van Dretzen's honden zien, die goed getypeerd zijn, en zijn fokkerij (affix Zaïella) won de prijs van de president van de republiek. Zijn onderneming gaf aanleiding tot navolgers; dus, na zijn reis naar het land van de Pyreneeën, werd een "Pyreneese Dog Club" opgericht in Argeles-Gazost, op initiatief van een fokker, de heer Byasson, die een pamflet publiceerde, de eerste in zijn soort, de geschiedenis van de race.

Tezelfdertijd stichtte Cauterets in 1907 een andere club, de Pastour Club, rond Baron A. de la Chevrelière, president, met de belangrijkste leden Dr. Moulonguet en MM. Camajou en Sénac-Lagrange. Deze club publiceerde ook een standaard geïnspireerd door de beschrijving van Bylandt. De inspanningen van deze verenigingen, te verspreid, konden een zeker verval van de race niet stoppen, noch de verspreiding van onderwerpen verhinderen die min of meer goed werden getypeerd, aan toeristen Frans en buitenlands worden verkocht, of zelfs naar het noorden van Frankrijk, België worden verzonden en in Groot-Brittannië.

De Eerste Wereldoorlog droeg ertoe bij de situatie van de race te verergeren, omdat het de gelederen van hondenfokkers en die van de bergbeklimmers die de traditionele fokkerij onderhielden, heeft gedecimeerd. Na de beroering trad er echter een zeer positieve reactie op. Aan het begin van de twintiger jaren bleek in feite dat er nog een ander ras in de Pyreneeën was, namelijk dat van de kleine herder van de Pyreneeën, en toen ontstond het idee om samen deze twee pure producten van de Pyreneeën te kennen. berg, volledig complementair in hun traditionele baan, zorgen voor hun selectie; Vooral omdat het nodig was om verstrooiing te vermijden, zoals het geval was, de goede wensen (een eerste club van de kleine Herder van de Pyreneeën was opgericht in 1921). Vandaar de geboorte, in 1923, van de Ontmoeting van hondenliefhebbers uit de Pyreneeën (RACP), onder leiding van Bernard Sénac-Lagrange, die het lot van de twee Pyrenese rassen heeft overgenomen: vanaf het jaar van de oprichting van de Club, hij publiceerde een nieuwsbrief en liet vervolgens de vereniging aangesloten bij de CCS; uiteindelijk, na vele studies, vooral in het veld, schreef hij in 1927 een nieuwe standaard, die nog steeds actueel is, met enkele details (toegevoegd, in 1970, een lijst van defecten, goedgekeurd door de International Cynological Federation in 1975, en enkele verduidelijkingen gemaakt in 1986, met betrekking tot de pigmentatie van slijmvliezen en truffels).

De Tweede Wereldoorlog was een gelegenheid om de "oorlogszuchtige" kwaliteiten van de Pyreneeën te testen, aangezien sommige eenheden van alpine jagers, in Frankrijk, werden voorzien van honden die als verbindingsagenten fungeerden, voor het overbrengen van berichten (hun witheid maakte ze vrijwel onzichtbaar in besneeuwde landschappen). In de Verenigde Staten mobiliseerde de strijdmacht ook de Pyreneeën. Niettemin contrasteert de oorlog sterk en duurzaam de verspreiding van het ras, vooral in Frankrijk.

Tegenwoordig is de berg zeldzaam geworden in de Pyrenese keten; nochtans, zegt Guy Mansencal, "hij leeft daar nog, zeker in beperkte aantallen, sinds de laatste twee oorlogen, die, als zij sommige constanten enigszins hebben veranderd, zijn biotype echter niet hebben verwijderd." Het is ook het onderwerp geweest van hernieuwde interesse in Frankrijk, dankzij de soap Belle et Sébastien, waarvan de heldin, we herinneren het ons, een teef van de Pyreneeën was (rol gespeeld in Frankrijk). gemaakt door twee mannen). Het promotionele effect, tijdelijk, is nu echter uitgeput en het personeelsbestand is momenteel niet beschikbaar. Maar de Pyreneeën hebben volgelingen buiten zijn thuisland gemaakt. Het vertederende karakter van deze hond en de uitstekende diensten die het kan leveren in bergachtige omgevingen verklaren de wereldwijde verspreiding (die Sénac-Lagrange niet had voorzien). Het is zelfs, zonder twijfel, het Franse ras dat in het grootste aantal landen voorkomt.

In zijn geboortedorp werd de Hond van de Pyreneeën geroepen voor talrijk zo gevarieerde taken: de bewaker van de kastelen van het zuidwesten voor meer dan zeshonderd jaar; hij was, indien nodig, ook een roedel en leverde zelfs geïsoleerde dorpen aan, zoals gemeld door C. Douillard: "In Ariège, tijdens een winter van de laatste oorlog, doorkruiste een kolom van vijf of zes Pyreneeën de vallei bedekt met sneeuw, geladen met kleine percelen. Genomen informatie, deze honden zouden gaan dragen in een geïsoleerd dorp, snee van de wereld, voorraden en voorwerpen van dringende noodzaak. "

Deze verschillende en schitterende staat van dienst mogen ons echter niet doen vergeten dat de berg van de Pyreneeën eeuwenlang als hoofdfunctie had om de veiligheid van de kudden te garanderen; in de tijd dat wolven, lynxen en beren; om nog maar te zwijgen over de plunderaars; Ze waren er in overvloed, hij moest voorkomen dat deze roofdieren een dier uit de kudde nemen en zelfs voorkomen dat een van hen te dicht naderde, omdat de doodsbange dieren zich in een klif zouden kunnen werpen. Kudde en herder hebben hun nachtelijke kwart genomen, de berg, met zijn beschermende kraag, stond bewaakt; hij koos voor een strategische locatie (een kleine tepel, bijvoorbeeld vanwaar hij de omgeving bekeek), hij gaf regelmatig rondes en lanceerde voortdurend zijn diepe, krachtige, soms doof geworden geblaf, altijd indrukwekkend en afschrikwekkend zelfs voor de agressors meer ondernemend. Hij was vooral een nachthond, discreet en kalm gedurende de dag; en zelfs slaperig, althans in uiterlijk; maar plotseling activeren met schemering. De doeltreffendheid ervan was spreekwoordelijk: slechts één berg was voldoende om de wolf of de lynx op de vlucht te jagen of uit te dagen, maar, specificeerde Dralet in 1813, "er zijn twee of drie nodig om de aanvallen van de beren te weerstaan".

Met de bijna totale verdwijning van roofdieren, is de rol van de Hond van de Pyreneeën tot nu toe accessoir geworden, vandaag in zijn bergen? Een schapenboer roept uit: "De rol van de berg is belangrijk bij het voorkomen van alle kudde-aanvallen door zwerfhonden of door vossen of zelfs wilde zwijnen. "

Deze duurzaamheid van de voorouderlijke kwaliteiten van de Pyreneese Honden wordt bevestigd in andere bergachtige regio's, zoals die van Canada en de Verenigde Staten, waar ze, in competitie met andere rassen om te waken over immense kuddes schapen, is aangetoond zeer effectief te zijn, zelfs in de meest delicate situaties (in dit verband wordt een onderwerp genoemd Ben, die het alleen voor elkaar heeft gekregen, een poema van 75 kg) genoemd.

De capaciteiten van de Mountain Guardian, die zich spectaculair manifesteren wanneer de kuddes zich op de weide bevinden, zijn ook van toepassing op de verdediging van gebouwen. Bijzonder waardevolle functie in geïsoleerde boerderijen; waar je je eeuwenlang afvroeg of de vreemdeling die dichterbij kwam vriend of vijand was. Een van de minste kwaliteiten van de berg is niet om te kunnen onderscheiden, zeker, de een en de ander. "Wanneer een verlate buurman 's nachts naar huis gaat, de muur van de boerderij volgend, blaft de hond niet en staat niet eens op, omdat hij weet welke stappen hij elke dag hoort," schrijft een kenner Patou, J. Dhers. "Als de voorbijganger," voegt hij eraan toe, "een vreemdeling is, gaat de hond naar de ingang van het hof en volgt de man met zijn ogen; hij laat hem weggaan tot een bepaalde afstand en maakt zich er geen zorgen meer over. Maar als de vreemdeling het veld betreedt, begeleidt de hond hem door te blaffen om zijn meester te waarschuwen, en hij zal hem niet in de buurt van het huis, de stallen of de lokale bevolking laten komen voordat deze arriveert. In de tussentijd doet het onbekende er goed aan om voor zijn acties te zorgen en zich te onthouden van bedreigingen. "

Dhers verklaart verder: "Het is zeker dat het zichzelf heeft overgeleverd, de goede Hond van de Pyreneeën valt alleen aan het laatste uiteinde aan, maar dan houdt niets hem tegen. En hij concludeert: "Ik houd deze hond voor de beste en veiligste voogd die bestaat omdat intelligent, oplettend, dapper, koud en ontoegankelijk voor angst. "

Omgezet in een meer stedelijke omgeving, zal de Berg wonderen verrichten als hij de leiding heeft over het bewaken van een groot pand, in een park: slaperig in zijn hoek gedurende de dag, zal hij alert zijn bij het vallen van de avond, en al zijn zinnen ontwaken, hij zal patrouilleren in onophoudelijke ronden zolang de duisternis regeert, antwoordt met een doffe schors, in de vorm van een ultimatum, met het minst abnormale geluid dat hem gewaarschuwd zal hebben.

De kwaliteiten van de Berg hebben nog steeds hun tegenhanger: het is noodzakelijk, gezien het temperament, om het goed in de hand te hebben; want deze hond, zachtaardig maar uiterst wantrouwend, weet hoe dan ook zeer cabochard te zijn. Ook, "deze geboren autonomist heeft een hand-tot-hand meester nodig die hij kan respecteren en wiens aanzien hem zal vervullen", zoals correct gediagnosticeerd door Dr. Millemann, dierenarts-counsellor (en ervaren fokker) van de RACP. Hond die van nature dominant is, en eerder gehoorzaam, moet de Berg heel vroeg en zeer stevig worden opgeleid; het is in het bijzonder aan te raden om hem solide noties van herinnering te geven, want hij is bereid om weg te rennen; wat een bron van problemen kan zijn (voor hem in het bijzonder) in een verstedelijkte omgeving.

Op weg naar zijn medeschepselen is Patou over het algemeen geen model van tolerantie. Sommige onderwerpen vertonen zelfs een neiging om te springen op een Duitse herder of aanverwante hond die in de buurt komt; atavisme, misschien van de oude wolvenjager? Aan de andere kant laten de vijandige demonstraties van de mopshoofden het meestal onverschillig.

Zijn aangeboren hoederkwaliteiten maken de berg voldoende agressief; als de omstandigheden dit vereisen; en, naar de mening van allen die een lange tijd met deze hond bezig zijn, moet men niet proberen zijn agressiviteit te vergroten door een training. Het bouwen van een verdedigingsberg kan zelfs gevaarlijk zijn, met verhoogde agressie en een onbevredigde smaak voor onafhankelijkheid die een explosieve mix kan zijn. In feite garanderen de manifestatie van een gezaghebbende vastberadenheid van de leraar en een evenwichtige manier van leven een bevredigend gedrag van de Berg, als het onderwerp van goede kwaliteit is.

Als het een beetje omvangrijker is dan veel honden die "metgezellen" worden genoemd, kan de Berg erg vertederend zijn. Want wie weet hoe hij het moet begrijpen; en het vergt psychologie, geduld en gezond verstand, bij gebrek aan "gevoel", deze hond, zo dapper als zoet, is niet beroofd in zijn uren van onheil, opgewektheid en een vreugdevolle gebrek aan discipline in de buurt van humor. Deze eigenschappen verschijnen bij het lezen van Een man en zijn hond, waar Jean Nourry met grote moeite zijn problemen met zijn Berg tijdens de laatste oorlog vertelde. En, de ideale metgezel van de man van actie, is ook de Hond van de Pyreneeën het eens met de contemplatief, die de nonchalante elegantie van zijn hond weet te waarderen, verdwaalt in zijn ondoorgrondelijke ogen en met hem droomt van diepe nachten waarin, in de oudheid luidde de berg de formidabele bast van een Patou.

Geen reacties

Er zijn nog geen reactes geplaatst.