Sint Bernard

FCI standaard Nº 61

Land van oorsprong
Zwitserland
Vertaling
De heren Martin van de Weijer en Jan van de Belt
Groep
Groep 2 Pinschers en Schnauzers, Dogachtigen, Zwitserse Sennenhonden en andere rassen
Sectie
Sectie 2.2 Dogachtigen, type Berghonden
Werkproef
Zonder werkproef
Definitieve erkenning door de FCI
zaterdag 28 augustus 1954
Publicatie van de geldende officiële norm
maandag 04 april 2016
Laatste update
vrijdag 03 juni 2016
En français, cette race se dit
Chien du Saint-Bernard
In English, this breed is said
St. Bernard
Auf Deutsch, heißt diese Rasse
St. Bernardshund
En español, esta raza se dice
Perro San Bernardo

Gebruik

Begeleidings-, waak- en erfhond.

Kort historisch overzicht

Op de hooggelegen pas van de grote St. Bernard pas, gelegen op 2469 meter boven de zeespiegel, hebben monniken in de 11-de eeuw een kloosterherberg (het Hospiz) voor doorgaande reizigers en pelgrims gesticht. Vanaf het midden van de 17-de eeuw hield men er grote berghonden voor de bewaking en bescherming. De aanwezigheid van deze honden is vanaf 1695 vastgelegd in afbeeldingen en in aantekeningen in een document van het hospiz, dat dateert uit 1707. De honden werden weldra ter begeleiding aangewend en vooral als reddingshonden voor in de sneeuw en nevel verdwaalde reizigers ingezet. De in vele talen gepubliceerde kronieken, maken gewag van talrijke aan de greep van de witte dood ontrukte mensenlevens door deze honden ,en de mondelinge verslagen van soldaten, die in 1800 met Napoleon Bonaparte de pas overstaken, hebben in de 19-de eeuw de faam van de Sint Bernard, toentertijd Barry-Hund genoemd, over geheel Europa verbreid en de legendarische Barry werd tot het prototype van de reddingshond verheven. De directe voorouders van de Sint Bernard stamden af van de in de omgeving veel voorkomende grote boerenhonden, waaruit vervolgens na een aantal generaties, gefokt naar een vastgesteld ideaal type, het huidige ras is ontstaan. Een zekere Heinrich Schumacher uit Hollingen bij Bern gaf als eerste voor zijn honden afstammingsbewijzen af. In februari 1884 werd het Zwitserse Hondenstamboek (S.H.S.B.) geopend. De eerste inschrijvingen betrof de St. Bernard Léon, en de volgende 28 inschrijvingen waren ook St. Bernards. Op 15 maart 1884 werd de Zwitserse St. Bernardsclub in Basel opgericht. Naar aanleiding van een internationaal kynologisch congres op 2 juni 1887 werd de Sint Bernard officieel als Zwitsers ras erkend en de rasstandaard werd verbindend verklaard. De Sint Bernard geldt vanaf dat moment als Zwitserse nationaal hond.

Algemeen totaalbeeld

Er bestaan twee variëteiten van de Sint Bernard :
De variëteit Korthaar (stokhaar)
De variëteit Langhaar
Beide variëteiten vertonen een opvallende grootte en een indrukwekkend totaalbeeld; ze bezitten een harmonisch, krachtig, stram en gespierd lichaam met imposant hoofd en attente expressie.

Belangrijke verhoudingen

De verlangde verhouding tussen schofthoogte en lengte van de romp (gemeten van boeggewricht tot zitbeenknobbel) bedraagt 9:10.
Gewenste verhouding van schofthoogte tot borstdiepte: zie tekening.
De totale lengte van het hoofd bedraagt iets meer dan een derde deel van de schofthoogte.
De verhouding diepte van de voorsnuit (gemeten vanaf de aanzet) tot lengte van de voorsnuit ongeveer 2:1.
De voorsnuit moet iets langer zijn dan een derde deel van de totale hoofdlengte.

Gedrag en karakter (aard)

Van nature vriendelijk. Een rustig tot levendig temperament; waakzaam.

Hoofd

Bovenschedel

Hoofd
Massief, imponerend met krachtige uitdrukking.
Schedel
De krachtige brede schedel is zowel van voren als van terzijde gezien licht gewelfd; bij attentie vormt de ooraanzet met de schedel een rechte lijn, die zijdelings met vloeiende belijning overgaat in de krachtig ontwikkelde wangen. Middels een diepe, recht naar beneden dalende stop gaat het voorhoofd over in de voorsnuit. Achterhoofdsknobbel matig ontwikkeld. Wenkbrauwbogen krachtig ontwikkeld. De duidelijk gevormde voorhoofdsgroeve begint bij de stop en verloopt over het midden van de schedel. De voorhoofdshuid vormt boven de ogen kleine plooien, die schuin naar de voorhoofdsgroeve verlopen (konvergeren); als de hond attent is zijn deze plooien matig zichtbaar, overigens vallen ze weinig op. 
Stop
Duidelijk gevormd en diep (markant).

Facial region

Neus
Neusspiegel zwart, breed en hoekig met goed geopende neusgaten.
Voorsnuit
Van alle zijden bezien gelijkmatig breed met rechte neusrug, waarin een lichte groef.
Lippen
De lippenranden moeten zwart gepigmenteerd zijn. De lippen van de bovenkaak krachtig ontwikkeld, stevig en niet te veel overhangend; naar de neus (tot aan de splitsing van de lippen) in een fraaie ronding verlopend. De mondhoek moet zichtbaar blijven.
Kiezen / tanden
Boven- en onderkaak krachtig breed en van gelijke lengte. Een goed ontwikkeld, regelmatig en volledig schaar- of tanggebit. Nauwsluitende ondervoorbeet zonder ruimte tussen de snijtanden is toegestaan. Het ontbreken van P1 (premolaren 1) en M3 (molaren 3) toegestaan.
Ogen
Van gemiddelde grootte, donker tot hazelnootkleurig bruin, matig diep ingezet met vriendelijke uitdrukking. Van nature goed aangesloten oogleden verdienen voorkeur; een kleine vouw met een weinig zichtbaar bindvlies bij het onderooglid en een kleine vouw in het bovenlid zijn te tolereren. De oogleden moeten geheel gepigmenteerd zijn.
Oren
Van middelmatige grootte, hoog en breed aangezet; oorschelpen krachtig ontwikkeld. Oorlappen soepel, driehoekig van vorm met afgeronde punten; de achterkant van het oor iets afstaand van de schedel, de voorste rand ligt tegen de wangen.

Hals

Krachtig en voldoende lang; keel en halsplooien matig ontwikkeld.

Lichaam

Algemeenheid
Het totale beeld moet imponeren, harmonie vertonen, statig en goed bespierd zijn.
Schoft
Moet duidelijk aangegeven zijn.
Rug
Dient breed, krachtig en vast te zijn; de ruglijn verloopt tot aan de lendenen recht en horizontaal.
Croupe
Lang, een weinig hellend en harmonisch overgaand in de staartaanzet.
Borst
De borstkorf moet matig diep zijn met goed gewelfde, maar geen tonvormige ribben en niet dieper dan tot de ellebogen reiken.
Onderlijn en buik
Naar achter licht oplopend.

Staart

De staartaanzet moet breed en krachtig zijn. De staart is lang en zwaar; de laatste staartwervel moet minimaal tot de hakken reiken; in rust recht naar beneden hangend of in een licht opwaartse boog (1/3 van het onderste deel van de staart) gedragen. Bij opwinding hoger gedragen.

Ledematen

Voorhand

Algemeen
Van voren bezien recht en parallel en matig breed geplaatst.
Schouders
De schouderbladen schuin geplaatst, goed bespierd en goed tegen de borstkorf liggend.
Opperarm
Langer dan het schouderblad; de hoek tussen schouderblad en opperarm niet te stomp. D.w.z. niet te wijd.
Ellebogen
Moeten aansluiten.
Onderarm
Recht met sterke botten en droge bespiering.
Voormiddenvoet
Van voren bezien loodrecht in het verlengde van de onderarm. Van terzijde bezien licht schuin naar voren geplaatst.
Voorvoeten
Breed met krachtige, nauw aanééngesloten, sterk gewelfde tenen.

Achterhand

Algemeen
Matig gehoekt en krachtig bespierd; van achteren bezien evenwijdig en niet eng.
Dijbeen
Krachtig, goed bespierd en breed.
Onderbeen
Schuin geplaatst en tamelijk lang.
Knie
Goed gehoekt, naar binnen noch naar buiten gedraaid.
Achtermiddenvoet
Van achteren gezien recht en evenwijdig geplaatst.
Spronggewricht
Stevig met lichte hoeking.
Achtervoeten
Breed met krachtige, nauw aanééngesloten, sterk gewelfde tenen. Hubertusklauwen toegestaan mits de beweging niet gestoord wordt.

Gangwerk

Een harmonische, uitgrijpende beweging met krachtig stuwende achterhand, waarbij de rug stabiel en rustig blijft. Voor en achtervoeten worden rechtlijnig bewogen.

Coat

Haarkwaliteit
Variëteiten korthaar (stockhaar): Bovenvacht dicht, vlak, goed aanliggend en hard. Dichte ondervacht. Dijen met een lichte broekbeharing. De staart dicht behaard.
Variëteiten langhaar: Rechte bovenvacht van middelmatige lengte en met dichte ondervacht. gezicht en oren kort behaard; op de heupen en het kruis is het haar meestal iets gegolfd; de voorbenen bevederd, op de dijen een flinke broekbeharing; staart bossig.
Haarkleur
De grondkleur moet wit zijn, met kleine of grote roodbruine platen (platenhonden) tot een aaneensluitend roodbruin dek op de rug en de flanken (mantelhonden). Gescheurde mantel (met wit onderbroken mantel) van gelijke waarde als een aanééngesloten dek. Roodbruin gestroomd geoorloofd, bruingeel getolereerd. Donkere aftekeningen op het hoofd zijn zeer wenselijk. Een vleug van zwart op het lichaam is toegestaan.
Voorgeschreven witte aftekeningen: Borst, voeten, staartpunt, neusband, bles en nekvlek.
Gewenste aftekening: Witte kraag, symmetrisch donker masker.

Maat en gewicht

Schouderhoogte
De schofthoogte van reuen bedraagt minstens 70 cm en voor teven 65 cm.
Maximale maat voor reuen 90 cm en teven 80 cm.
Honden groter dan de maximale hoogte mogen niet lager beoordeeld worden in zoverre het algeheel beeld harmonisch is en de honden een correct gangwerk laten zien.

Defecten

• Elke afwijking van de voorgaande punten moet worden beschouwd als een fout en de ernst waarmee de fout aangemerkt moet worden, in verhouding staan ​​tot de mate en het effect ervan op de gezondheid en het welzijn van betreffende hond en zijn vermogen om zijn oorspronkelijke werk te kunnen verrichten.
• De vermelde fouten moeten in ernst zijn.

General defecten

 Gebrekkig geslachtstype.
 Geen harmonisch totaal beeld.
 In verhouding tot grootte te korte benen (kortbenigheid).
 Sterke plooivorming op hoofd en hals (keelhuid).
 Te korte of te lange voorsnuit.
 Openvallende lippen van de onderkaak.
 Het ontbreken van tanden (behalve PM1 en M3).
 Kleine tanden, vooral snijtanden.
 Een lichte ondervoorbeet.
 Lichte ogen.
 Onvoldoende gesloten oogleden.
 Zadelrug, karperrug.
 Overbouwd of een sterk hellend kruis.
 Over de rug gedragen krulstaart.
 Het ontbreken van de voorgeschreven aftekening.
 Kromme of sterk naar buiten gedraaide voorbenen.
 Een steile, O-benige of koehakkige achterhand.
 Foutief gangwerk.
 Gekruld haar.
 Onvolledige of ontbrekende pigmentering van de neusspiegel, rondom de neus, van de lippen en de oogleden.
 Foutieve grondkleur, bijvoorbeeld roodbruine vlekken of stippen in het wit.

Defecten die leiden tot uitsluiting

 Angstige of agressieve honden.
 Onder- of uitgesproken bovenbeet.
 Blauwe ogen (glasogen).
 Ectropion, entropion.
 Een geheel wit of volledig roodbruin haarkleed (het ontbreken van de grondkleur).
 Anderskleurige vachten.
 Ondermaatse honden.

NB :

• Elke hond die duidelijk lichamelijke of gedragsafwijkingen moet worden gediskwalificeerd.
• De gebreken hierboven vermeld, wanneer zij zich voordoen in een zeer duidelijke graad of frequent, zijn diskwalificerende.
• Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels hebben die in de balzak zijn ingedaald.
• Alleen functioneel en klinisch gezonde honden, met rastypische bouw moet worden gebruikt voor de fokkerij.

Bibliografie

http://www.fci.be/

 

Gedetailleerde geschiedenis

Weinig rassen kunnen bogen op een reputatie als legendarisch en zo romantisch als de St. Bernard. De goede Barry en zijn vat rum zijn legendarisch, zozeer zelfs dat, in een enquête, de vraag naar wat de meeste skiërs in de bergen nodig hebben, veel mensen zonder aarzeling hebben geantwoord: een Sint Bernard!

Maar waar komt deze sneeuw heer vandaan? De wildste geruchten zijn lang voor hem geweest: er wordt gezegd dat hij zou komen van een prachtig paar, of dat Sint Bernard zelf als metgezel zou hebben gehad. Eén ding is zeker: hoewel de huidige naam van de hond relatief recent is, speelde het hospice van de Grote St. Bernard een beslissende rol in de evolutie van het ras. Maar het liefdesverhaal dat de Sint-Bernardus eeuwenlang verenigt met het hospice dat het zijn naam gaf, omvat een proloog, die meer dan tweeduizendvijfhonderd jaar geleden begon, in Opper-Assyrië.

De Assyrische mastiffs reisden naar Griekenland en vervolgens naar Italië. Eenmaal in Rome werden ze "Molosses" genoemd. Toen de Romeinse legioenen de Alpen overstaken om zich bij Helvetia aan te sluiten, werden ze vergezeld door de beroemde Molosses, die in groepen met de soldaten bewogen, en die, vooral 's nachts, de toegang tot de passen bewaakte; maar ze konden nog steeds de kudden van de kolonisten leiden. Deze mastiff verspreidde zich geleidelijk over heel Zwitserland, vooral in de kantons Wallis en Vaud, maar ook in het Berner Oberland. Het barre klimaat en de extreme isolatie van deze valleien hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de vestiging en ontwikkeling van een zuiver ras dat wordt gekenmerkt door zijn hardheid. In 962 vluchtte de Sieur Bernard de Menthon, gevlucht uit zijn kasteel van Savoye, naar de bisschop van Aosta en werd al snel aartsdiaken genoemd. Voor de toekomst zou Sint Bernard dan beginnen aan een zwaar leven van de bergman, die hem zou zien, van de ene vallei naar de andere, het goede woord en de troost brengen aan de arme bevolking. De bergpassen van de Alpen hadden op dat moment een slechte reputatie; het is waar dat de lokale bandieten ze al lang hadden omgevormd tot ware kelen. Om deze situatie te verhelpen, richtte de Sieur de Menthon in de tiende eeuw twee armenhuizen op die tot taak hadden alle uitgeputte reizigers te verzamelen. Pasjes werden uiteindelijk veiliger en duizenden soldaten, handelaren en pelgrims konden opnieuw in vrede voorbijgaan.

De oudste documenten met betrekking tot het hospice en het klooster van de Grote St.-Bernard en zijn reddingsmissie zijn vernietigd in een brand, we kunnen alleen maar aannemen dat grote honden vanaf het begin werden genoemd. Tegenwoordig bewonderen de bezoekers ter plaatse een schilderij uit 1695, dat staat voor een witte hond met donkere vlekken, vermoedelijk een Sint-Bernardus. Het zou rond 1660 zijn dat de monniken van de Grote Sint-Bernardus zouden worden geholpen door honden, aan wie ze een eerste rol gaven: de bewaker van het hospice. De monniken waren van oudsher zonder onderscheid al de reizigers welkom die om hun gastvrijheid vroegen, ze moesten hun deuren openen voor min of meer vermomde straatmuzikanten. De honden werden toen een zeer gewaardeerde bescherming. Het geval van dertig bandieten die in 1787 eiste de kluis van het hospice te openen, na eerst te hebben geprofiteerd van de ontvangst van de goede kanunniken. De enige aanblik van de honden die op hen waren gevallen, was genoeg om hen te laten vluchten.

De St. Bernard hebben hun sneeuwscarcarriere pas rond het midden van de 18e eeuw geopend. Elk jaar huurden de monniken een bediende in die "gastvrij" of "paardenkastanje" werd genoemd en die elke dag naar Bourg-Saint-Pierre zou gaan, vanwaar hij iedereen die de berg overstak begeleidde. Als hij hoorde dat reizigers in de problemen waren, uitgeput of verrast door een lawine, ging de kastanjeboom op zoek naar hen. Vele levens werden elke winter gered. Helaas gebeurde het dat we de slachtoffers niet konden vinden, te diep begraven onder de sneeuw of verloren in de kromme passen. Dus, in 1750, had een van deze ziekenverzorgers het idee om de honden die het hospice bewaakten te trainen om hen in staat te stellen bij te dragen aan zijn zware taak van badmeester. Hun sterk ontwikkelde flair stelde hen in staat zowel de mist als de storm te dwarsbomen en de ongelukkigen te vinden. Soms kon de laatste niet meer lopen: toen troostte de kastanjeboom hen terwijl zijn hulpwerkers hulp zochten. De honden begonnen zelfs te redden wanneer ze een persoon in nood voelden.

Er zijn ook aanwijzingen uit deze periode, die van Horace Benedict de Saussure, de beroemde Zwitserse geoloog, die schreef in 1789: "De kastanje wordt vergezeld door een of twee grote honden die zijn opgeleid om het pad in de mist te herkennen , stormen en grote sneeuwval, evenals het ontdekken van de passagiers die daar verdwaald zijn. Wanneer de slachtoffers niet te diep in de sneeuw liggen, ontdekken de honden ze gemakkelijk, maar hun instinct en hun reukvermogen kunnen niet tot grote diepte doordringen; dan peilt het religieuze de lawine met grote palen, van plaats tot plaats. Deze reddingsmethoden lijken al erg modern, nauwelijks verschillend van de methoden die vandaag worden toegepast. Pastor Bridel, uit het land Vaud, prijst ook "deze beroemde honden in heel Europa, van een ras dat zo bewonderenswaardig en zo kostbaar is, met een extreem mild karakter; ze bijten nooit en blaffen zelden naar de aankomst van reizigers. Ze gaan vaak alleen om hen aan de voet van de berg te ontmoeten, ze aaien, leiden ze en brengen ze naar het klooster. "

Wie Sint Bernard op een missie zegt, zegt een vat rum, is in ieder geval wat het imago van Epinal wil. De honden zouden de halfbevroren reizigers moeten laten drinken om ze nieuw leven in te blazen. Zoals vaak het geval is, is de realiteit minder romantisch dan de legende, en de Sint-Bernardus van het ziekenhuis heeft nog nooit het beroemde vat gedragen. Aan de ene kant kan de ethiek van de monniken tegengesteld zijn geweest, aan de andere kant is alcohol nog lang niet geïndiceerd voor iemand die ernstig lijdt onder de kou. Als we het kleine vat bij veel eigenaren van Saint-Bernard vinden, is dat alleen voor het decor. De missie van de honden was in de eerste plaats om de slachtoffers te identificeren die verloren waren in de sneeuw of de storm, om vervolgens met behulp van hun borst een groef in het poeder te traceren en het onder hun voeten te pakken.

De meest beginner van de cynofielen, ook al weet hij niets van St. Bernard, weet wie Barry was. Het is mede dankzij deze buitengewone redder, wereldberoemd, dat het ras zijn adel heeft verworven. De naam "Barry" heeft zijn geschiedenis. Het komt inderdaad het woord van de Duitse patois-bari, afkomstig van de bar zelf, wat beer betekent. De beroemde Barry moest worden voorbestemd, omdat zijn geboorte bijna samenviel met de passage van Napoleon Bonaparte door de pas van Sint-Bernardus in mei 1800. Barry was heel snel van nature begaafd voor het werk in de bergen, wat niet zo was om de monniken te verbazen, die het wisten van een oud gezin van redders. Meissner getuigde in 1916 in de Alpenrosen: "Twaalf jaar lang werkte hij en was hij trouw aan zijn dienst aan de armen. Hij alleen heeft meer dan veertig mensen gered tijdens zijn leven. De ijver die hij toonde was buitengewoon. We hoefden hem nooit aan te sporen om te werken.

Voelde hij een man in gevaar, hij ging hem te hulp; als hij niets kon doen, ging hij terug naar het klooster en vroeg om hulp door zijn geblaf en zijn houding. Zijn bekendste wapenfeit is waarschijnlijk de redding van deze kleine jongen die hij uit de slaap trok door hem te likken en terug te brengen naar het hospice ... op zijn rug! De anekdote dat Barry stierf terwijl hij probeerde een reiziger te redden, komt niet overeen met de werkelijkheid. In feite stuurde de prior van het ziekenhuis, nadat hij zich realiseerde dat hij te oud was geworden om zijn taak voort te zetten, hem naar Bern, waar hij in 1814 stierf, na twee jaar welverdiende pensionering. In 1815 werd hij tentoongesteld, gevuld, in het Bern Museum. Onlangs zijn taxidermized stoffelijke resten vervangen door een cast gemaakt van de natuur, dat is dat van een grote hond, vrij licht in constitutie in vergelijking met de onderwerpen van vandaag, maar wiens enorme hoofd en het geheel van de conformatie passen goed bij de huidige standaard. Andere monumenten werden naar hem toegebracht, met name op de begraafplaats van de honden van Asnières, niet ver van Parijs.

De traditie was niet gedoofd met Barry, aangezien Barry II en Barry III hem opvolgden. De eerste, geboren in het begin van de twintigste eeuw, was een opmerkelijk dier, erg groot. De tweede stierf tijdens een missie op 30 augustus 1910, toen een verraderlijke ijskap hem in een ravijn stuurde. Andere dapperen Sint Bernard nam toch de fakkel over. De verliezen waren echter talrijk vanwege de vreselijke winters, de epidemieën of de steriliteitsproblemen (vanwege de zeer dichte bloedverwantschap). Aldus markeerde het midden van de negentiende eeuw een moeilijke periode voor het ras.

Reeds in 1820 had de koning van Denemarken redderhonden aangeboden aan de monniken die ontbraken. Maar in juli 1855 werd de situatie bijzonder zorgwekkend, omdat er maar één paar overbleef in het hospice. Pogingen om een ​​nest te fokken bleven niet succesvol, de keuze was eenvoudig: nieuw bloed inbrengen of de race verliezen. De tweede oplossing was onaanvaardbaar, de eerste werd gebruikt. Een uit Newfoundland afkomstig paar van de zwart-witte variëteit (Landseer) werd gekozen. Afkomstig uit Stuttgart, werden deze honden aan de ene kant geselecteerd voor hun eksterjurk (de monniken in de hoop om puppy's te krijgen die lijken op pure St. Bernard) en aan de andere kant voor hun vermogen om te redden in de bergen (ze waren inderdaad met succes gebruikt in naburige passen). Maman Saint-Bernard en Papa Newfoundland (of vice versa) hadden twee nestjes van tien pups, waarvan twee met wolhaar (wat doet denken aan het langharige gen vanwege de bloedtoevoer naar Newfoundland). Zoals na de vorige overtochten, hielden de monniken alleen de onderwerpen met kort haar, het lange haar irriteerde de hond in de bergen, vanwege de sneeuw die daar agglutineerde. Aan de andere kant had de langharige Sint-Bernardus veel succes in de valleien, maar hun eigenaars negeerden niet om ze opnieuw te kruisen met die van het hospice, om het type van het ras te behouden.

Destijds droeg de St. Bernard deze naam nog niet. Ze werden heilige honden, berghonden, alpengolven, hospice-honden of zelfs slagershonden genoemd (vanwege hun indrukwekkende eetlust). Toen Barry's heldendaden over de hele wereld bekend waren, werden Barry-honden hun meest voorkomende naam. Het was tijdens de hondenshow in Birmingham in 1862 dat ze Saint-Bernard werden genoemd, een naam die officieel werd in 1880. Toen, in 1887, Henri Schumacher, de fokker die de ware ambachtsman was van de redding van de race, Verkreeg zijn officiële erkenning en erkende zijn Zwitserse nationaliteit bij het Internationale Congres van Raceclubs, dat werd gehouden in Zürich.

Deze legendarische Sint-Bernardus had een zeer bewogen geschiedenis. Toch is hij eenvoudig gebleven en is niet veel veranderd sinds zijn heroïsche dagen in het hospice. In Europa willen fokkers en rasverenigingen een gezonde en robuuste hond promoten zonder de grootte of het gewicht te overdrijven. Aan de andere kant, sinds 1815, toen ze zich begonnen te interesseren voor de race, probeerden de Angelsaksen steeds grotere onderwerpen te krijgen, terwijl ze ergerlijk geneigd waren de kleuren te verwaarlozen en te wijden zonder complex te zijn "Champion" honden die niet de onmisbare witte band rond de neus hebben. Ze waarderen het ras echter erg goed, want onder meer dan 8.000 concurrenten won een St. Bernard de Best in Show in 1974 op de prestigieuze Cruft's tentoonstelling. Het was Ch. Burtonswood Bossyboots, eigendom van Miss Hinde.

En wat gebeurt er met de hospice-honden? Of liefhebbers van traditie gerustgesteld zijn, de monniken van de Grote St. Bernard brengen deze sneeuwreuzen altijd groot. Natuurlijk, de reizigers van vandaag lenen eerder de tunnel die onder de berg is gegraven dan de pas zelf, en honden hebben weinig vermoeide pelgrims om in de sneeuw te rijden. Ongeveer twintig St. Bernard wonen nog steeds in het ziekenhuis. Toeristen komen uit alle landen naar de pas om deze legendarische redders te bewonderen. De vraag naar puppy's uit het hospice is zo groot dat kopers zich eerst moeten registreren op een lange wachtlijst. Deze verkoop is een belangrijke bron van inkomsten voor de congregatie. Het bewijs dat de St. Bernard, wanneer ze niet langer hun traditionele missie hoeven te vervullen, toch weet hoe ze zichzelf nuttig kunnen maken!

Slenterend door de bergen, reizigers die verloren zijn in de storm, een groef in de sneeuw zien graven met zijn borst op de manier van een sneeuwploeg, dit alles vereist sterkte en rustiekheid, maar ook een heilig karakter! Als je een eigenaar van St. Bernard vraagt ​​wat hem heeft gedreven om een ​​hond te kopen die zo groot, zo groot en omvangrijk is, zal hij antwoorden dat het (onder andere) zijn zo vertederende persoonlijkheid is. Veel rassen hebben onvoorwaardelijke volgers, maar de aanbidding die de eigenaren van St. Bernard voor hun hond hebben is ongebruikelijk. Is het zijn teddy kant? Of is de legende van de hond Barry nog steeds overtuigend en droomend?

Een Sint-Bernard is per definitie groot en groot. Je zou in de verleiding komen om te denken dat zijn psyche in het beeld van zijn fysiek is: dik. "Wrong! zeggen de amateurs, de Sint-Bernard is begiftigd met een zeer fijne intelligentie en is bovendien zeer delicaat voor een hond van zijn omvang. Dit betekent dat hij zich van zijn massa bewust is en dat hij niet het type is dat gek wordt in de woonkamer of de snuisterijen met een staartslag walst. Begaafd met een kalm en kalm karakter, probeert hij "erg klein" te zijn, zodra de omgeving hem nodig heeft. Graaf Henri de Bylandt, de eminente Belgische cynoloog, zei over de Leonberg dat hij "een grote hond was ... met wie, buiten grandeur, alle overdrijving is uitgesloten". Deze opmerking is mogelijk van toepassing op St. Bernard, omdat in de molossoïden deze gewogen houding bijna een tweede natuur is.

Dus je zou in de verleiding komen om te vragen, kan het blijken een effectieve bewaker te zijn? Iedereen die ooit een Sint-Bernardus had die hun huis bewaakte, zal bevestigend antwoorden. Zelfs als het niet overeenkomt met de rassen die "van bewaker en verdediging" worden genoemd (het kan niet deelnemen aan de tests van het werk in een wedstrijd), deze hond heeft een ontwikkeld gevoel voor het gebied. Aan de afschrikkant, geen probleem. Een "heilige" goed geplant op zijn benen die recht in je ogen kijkt, maakt je niet aan het lachen. En als zijn waarschuwingen niet genoeg waren, moeten we er niet aan twijfelen dat hij zonder aarzeling zou ingrijpen. Het moeilijkste zou zijn om hem zijn ongelukkige slachtoffer te laten loslaten ... Omdat de kaak van een Sint-Bernard iets is! We moeten niet vergeten dat zijn voorouders vochten met de Romeinse soldaten, en dat de Duitse dog een van zijn neven is, verre, zeker, maar toch.

Gelukkig komt deze sneeuwreus niet uit zijn scharnieren, tenzij hij echt tot het einde wordt gepusht. Het is waar dat sommige lijnen in het verleden gevoelige onderwerpen hebben geproduceerd, maar een rigoureuze selectie maakte het mogelijk om dit defect te elimineren. De St. Bernard blaft niet te veel, en hij gebruikt zijn goede grote stem in plaats daarvan toen hij een gewonde man in de sneeuw vond. De rest van de tijd is hij niet erg spraakzaam, en zijn gebrul, vooral doof en verontrustend, is over het algemeen genoeg om ongewenste dingen weg te rennen: hier is een hond voor wie men kan vertrouwen, en dit in alle omstandigheden.

Men zou kunnen zeggen dat wat hem het meest kenmerkt de grenzeloze gehechtheid is die hem aan zijn meesters bindt. Zeer gevoelig en aanhankelijk, hij houdt ervan om uren te spenderen, zijn enorme hoofd op schoot, om zijn hoofd te laten krassen. Hij geniet ook van lange dutjes, wat een paar slechte talen uitdaagt om hem als een lui te behandelen. Dit is niets, zoals blijkt uit de lange wandelingen die hij maakt zonder enig teken van vermoeidheid te vertonen. Het is echter waar dat hij niets heeft van de herdershond die urenlang moet draven om zich beter te voelen. De geweldige ballades zijn aangenaam, maar niet essentieel, en zijn leraren kunnen hem zonder veel spijt thuislaten. Aan de andere kant zou het wreed zijn om hem op de hefinrichting of de kennel te zetten. Want als hij erg inschikkelijk is als het gaat om het bevredigen van zijn meester, kan hij er niet tegen om ervan verwijderd te worden. Zelfs een schone, goed afgeschermde behuizing kan er niet aan voldoen en de ketting gaat er niet over. De aanwezigheid van zijn meester is de belangrijkste voorwaarde voor zijn welzijn.

Dit portret zou sommige stedelingen die in appartementen wonen niet moeten duwen om deze reus te verwerven. Dierenartsen zeggen dat het ruimte nodig heeft. Anders praat hij niet goed, heeft hij last van ademhalingsproblemen (we vergeten zijn uitgesproken stop en korte neus niet) en huidaandoeningen. De centrale verwarming die in de meeste gebouwen beschikbaar is, kan het uiterlijk van eczeem bevorderen. Ten slotte floreert de hond niet psychologisch als zijn leefruimte beperkt is. Dus lucht en plaats!

Side menselijke relaties, geen probleem. Afgezien van zijn natuurlijke reacties om de meesters te beschermen, vertoont de Sint-Bernardus geen agressie. Als dat het geval zou zijn, zou de omvang en sterkte het te formidabel maken; dat is de reden waarom fokkers zich inzetten voor het produceren van evenwichtige en rustige onderwerpen. Men kan dus zeggen dat de St. Bernard in de regel de vriend van de mens is. Maar waar hij zijn ware kwaliteiten van het hart openbaart, is bij kinderen. Dit enorme krachtige beest weet opeens zelfs zacht te zijn, voor een beetje slecht verzekerd. Bovendien, als hij soms serieus kijkt in het gezelschap van volwassenen, veruit hij zijn vrolijke aard, zelfs ondeugend, voor kinderen. Alle wijsheid, alle ernst is verdwenen, het is dan een Sint-Bernardus getransfigureerd die men kan waarnemen, vol van leven en energie. Hij laat zich echter nooit aan wreedheid overgeven en is zich altijd bewust van zijn kracht. Het zijn hun wandelingen en het kindermeisje van de kleintjes, die hen helpen bij hun soms onveilige reizen. Hoeveel kinderen van fokkers hebben hun eerste stappen gezet, zich vastklampend aan de vacht van een attente St. Bernard? En zijn we de grote natte hond van de Walt Disney-film Peter Pan vergeten? Hij was niemand minder dan onze goede St. Bernard.

Als hij van nature een fervent voorvechter van zijn leraren is en een geweldige metgezel voor hun kinderen, moet de Sint-Bernardus ook bepaalde dingen leren door middel van onderwijs. De eerste is reinheid. Het is een kans, de puppy van St. Bernard is relatief schoon en bovendien leert hij snel. Het is daarom noodzakelijk om gebruik te maken van deze twee disposities om hem, zodra hij thuiskomt, de goede manieren van hygiëne te leren. Als je een tuin hebt, wordt alles gefaciliteerd. De beste oplossing is om hem uit te schakelen zodra zijn maaltijd voorbij is, en ook wanneer hij komt drinken, spelen of wakker worden. In het appartement staan ​​op krantenbladen die voor dit doel zijn uitgespreid dat deze op vastgestelde tijden zullen worden genomen. Hartelijke felicitaties wanneer hij op de juiste plaats optrad, zal zijn leren gemakkelijker maken.

Wat betreft de lijn en de kraag, zullen we soepel en in fasen doorgaan. De Sint-Bernardus is bijzonder gevoelig, al zijn opvoeding moet gedaan worden in rust, regelmaat en begrip. Als zijn meesters hem willen bijscholen, werkt de Sint over het algemeen samen. Hij is volgzaam en van goede wil en vraagt ​​alleen om te begrijpen wat van hem wordt verwacht. Dog training novices kunnen lid worden van een gespecialiseerde club waar ze een uitstekend advies krijgen. Terwijl hij gehoorzaamt alleen om zijn meesters te plezieren, moet de Sint-Bernard niet "lastig gevallen" worden door een vrijwillige hondengeleider. Zachtheid is bij hem effectiever dan brutaliteit, en het is beter om te voorkomen dat je er te veel van vraagt. In tegenstelling tot de herdershonden die constant op de verzoeken van de baas wachten, zijn de Mastiffs grote rustpunten die momenten van ontspanning moeten krijgen. Gezien de kracht van een volwassen St. Bernard, is het echter essentieel dat de baasjes volledige controle over hun hond hebben. Hiervoor moeten ze de pup vanaf een jonge leeftijd zachtaardig maar krachtig domineren. Hij zou niet de baas moeten zijn, iets wat hij zou doen als hij niet oppast. Aandacht ook voor ongevallen, zou de schok met een auto niet zonder gevolgen zijn. De Sint moet altijd aangelijnd zijn en zo snel mogelijk worden opgeleid tot het terugroepen.

Hier is een hond intelligent, getalenteerd en wanhopig om zijn meesters te plezieren. De Sint-Bernardus wordt bekend en zal degenen die ze willen ontdekken schatten van tederheid en medeplichtigheid onthullen. Zolang je net zo gevoelig bent als hij, kan het leven met deze hond een echt paradijs zijn. Normaal, voor een heilige.

Geen reacties

Er zijn nog geen reactes geplaatst.